![]() |
Voorstel aan Provinciale Staten |
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Beknopte samenvatting van inhoud voorstel:
Op 1 juli 2008 zal de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking treden. Deze wetswijziging vraagt van ons dat we nog bewuster inspelen op de specifieke provinciale belangen. De nieuwe Wro biedt ons het instrumentarium om deze provinciale doelen actiever en meer uitvoeringsgericht op te pakken. Dit vraagt om een nadere vertaling van ons streekplanbeleid. Die vertaling is neergelegd in deze Wro-agenda. Wij verzoeken u met dit voorstel in te stemmen.
= = = = =
Aan Provinciale Staten
Aanleiding
Op 1 juli 2008 zal de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking treden. Deze wetswijziging vraagt van ons dat wij nog bewuster inspelen op de specifieke provinciale belangen. De nieuwe Wro biedt ons het instrumentarium om deze provinciale doelen actiever en meer uitvoeringsgericht op te pakken. Dit vraagt om een nadere vertaling van ons streekplanbeleid. Die vertaling is neergelegd in deze Wro-agenda.
De Wro-agenda beoogt een kader te bieden voor de toepassing van nieuwe instrumenten en duidelijkheid te bieden waar dit reeds kan. In deze agenda, die het bestaand beleid (omgevingsplannen, uitvoeringsprogramma’s en het coalitieakkoord) en de gedragslijn “Gelderland en de nieuwe Wro” (zie kopje proces) als uitgangspunt heeft, wordt beschreven welke instrumenten toegepast (kunnen) worden voor het verwezenlijken van provinciale doelen.
Proces
Reeds in 2005 is in Gelderland gestart met de voorbereidingen op de komst van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Op basis van een brede verkenning van de mogelijkheden van de wet en bestuurlijke discussies hierover met Rijk, gemeenten en regio’s is de gedragslijn “Gelderland en de nieuwe Wro” op 28 februari 2007 door uw Staten vastgesteld. Deze heeft als uitgangspunt dat Gelderland optimaal de mogelijkheden van de nieuwe Wro zal benutten en actief gebruik zal maken van de nieuwe wet. Deze lijn is voortgezet in het coalitieakkoord en de uitvoeringsagenda. Om de gevolgen van de nieuwe Wro en de gedragslijn voor de positie van en de samenwerking tussen de verschillende overheden te bespreken, zijn er in juni 2007 regiobijeenkomsten georganiseerd. Hiervoor waren regio’s, gemeenten, waterschappen, het Rijk en de provincie zowel ambtelijk als bestuurlijk uitgenodigd.
Vervolgens is de gedragslijn geconcretiseerd in de concept-Wro-agenda, die in november 2007 door ons college is vastgesteld voor externe consultatie. De resultaten van de externe consultatie en de uitkomsten van de regiobijeenkomsten van juni 2007 zijn vervolgens meegenomen in de Wro-agenda, zoals deze nu voorligt.
Status
De Wro-agenda kent geen formele (wettelijke) status. Immers, het is niet gebaseerd op de huidige WRO, maar loopt vooruit op de nieuwe Wro. Deze nieuwe wet stelt echter niet de eis dat provincie een “Wro-agenda” moet hebben. Bovendien is deze wet bij vaststelling van de agenda nog niet in werking getreden en kan dus alleen al om die reden geen basis vormen.
Wat is de agenda dan wel? De Wro-agenda vormt voor Gelderland het uitgangspunt voor de inzet van het Wro-instrumentarium. Het geeft daarmee ten aanzien van het Wro-instrumentarium de gewenste helderheid aan alle partijen (gemeenten, regio’s, het Rijk, waterschappen, de burger en de eigen interne organisatie) over de uitvoering van ons beleid. Dit wil niet zeggen dat de Wro-agenda als statisch document moet worden toegepast. Het is geen blauwdruk voor de inzet van Wro-instrumenten, maar vormt een leidraad om te komen tot de realisering van de provinciale doelstellingen. Dit kan betekenen dat in concrete gevallen in tegenstelling tot wat er in de agenda staat, wel/geen of ander instrumentarium wordt ingezet. Het is een nieuwe wet, waarvan niemand precies weet hoe deze in de praktijk gaat werken. Bij de toepassing van de instrumenten kan onder andere naar aanleiding van jurisprudentie blijken dat de wet toch op een andere wijze geïnterpreteerd had moeten worden dan op dit moment gedacht wordt of dat het resultaat van de inzet van het instrument toch een andere is dan voorzien was. De beste wijze om hier achter te komen is door de agenda in praktijk te brengen als leidraad en met enige flexibiliteit toe te passen. Wij adviseren om de consequenties van de inzet van het instrumentarium te monitoren en over twee jaar de Wro- agenda te actualiseren.
Context
Veel belangrijker dan de instrumentele invulling sec is de samenwerking tussen partijen om maatschappelijk gewenste doelen te realiseren en om ruimtelijke ontwikkelingen in onze provincie binnen een kwalitatief kader tot stand te laten komen. Dit betekent dat wij gezamenlijk zorgdragen voor een mooie en dynamische provincie en hierover continu het gesprek voeren. Maar voor die doelen waarvoor wij als Gelderland de verantwoordelijkheid nemen, zijn wij bereid ook het wettelijk instrumentarium in te zetten om de doelen daadwerkelijk te bereiken. Voor de inzet van het instrumentarium zal altijd overleg worden gevoerd en afstemming worden gezocht met betrokken overheden. De inzet van het instrumentarium vormt het sluitstuk van een proces. De insteek is steeds: wat levert de beste garanties voor het behalen van het maatschappelijk gewenste resultaat. Afhankelijk van de kwaliteit van ruimtelijke plannen en specifieke regionale situaties kan de inzet van het instrumentarium dan ook verschillen (durf te differentiëren).
Met dit uitgangspunt in gedachte wordt in de agenda per beleidsthema aangegeven wat de provinciale doelen zijn, wat onze aanpak is en of en zo ja, welk Wro-instrumentarium hiertoe wordt ingezet.
Decentraal wat kan, centraal wat moet
Bij alle thema’s is het aldus belangrijk om in een vroeg stadium aan tafel zitten bij gemeenten en andere partners om gezamenlijk tot een goed plan te komen. Voor een aantal thema’s geldt dat het daarnaast ook goed is om het juridisch instrumentarium in te (kunnen) zetten om het doel te bereiken. Het gaat hier om thema’s waar we als provincie de verantwoordelijkheid nemen in het ruimtelijk spoor. Voor de overige thema’s geldt dat wij deze weliswaar van provinciaal belang achten, maar dat de inzet van het juridisch instrumentarium niet het geëigend middel is. Reden hiervoor is dat de eerste verantwoordelijkheid bij de gemeenten ligt (decentraal wat kan- centraal wat moet). Dit geldt bijvoorbeeld voor sociaal-culturele functies in binnenstedelijke plannen, maar ook voor belangrijke thema’s die formeel al in wet- en regelgeving zijn vervat. Denk hierbij onder andere aan milieuregelgeving. Het biedt weinig meerwaarde om deze belangen nogmaals via juridisch Wro-instrumentarium te waarborgen. En ook hiervoor geldt dat op grond van de filosofie van de nieuwe wet gemeenten verantwoordelijk zijn voor het goed verwerken van de wet- en regelgeving in hun plannen. De provincie kan en wil echter wel een belangrijke rol vervullen bij het begeleiden en ondersteunen van gemeenten met kennis over deze thema’s.
Voor al deze thema’s is in de Wro-agenda niet gekozen voor een juridisch instrument, maar voor planbegeleiding.
Het gaat hier om de volgende thema’s:
- Sociaal-culturele functies
- Duurzame waterhuishouding in stedelijk gebied
- Groen in en om de stad
- GSO
- Stedelijke vernieuwing
- Aardkunde
- Landgoederen
- Land- en tuinbouw
- Defensie
- Bouwgrondstoffen
- Externe veiligheid
- Luchtkwaliteit
- Geluid
- Donkerte
- Lucht en bestrijdingsmiddelen
Overzicht
Onderstaande tabel geeft het overzicht van de inzet van het Wro-instrumentarium. Voor alle thema’s geldt dat wordt ingezet op planbegeleiding (en daar waar van toepassing overig instrumentarium). Hier staat echter expliciet een kruisje indien de gemeente primair verantwoordelijk is voor de verankering van het thema in bestemmingsplannen (en wij geen juridisch instrument inzetten), maar wij gemeenten hierbij via planbegeleiding willen ondersteunen. Daar waar het kruisje tussenhaakjes staat, zal het instrument slechts in het uiterste geval worden ingezet.
De tabel is een vereenvoudigde weergave van de Wro-agenda. Voor de juiste toepassing van het instrumentarium dient altijd de tekst geraadpleegd te worden en de al eerder genoemde flexibiliteit in acht genomen te worden.
Instrument Beleidsthema |
Inpassings-plan |
Verordening |
Proactieve aanwijzing |
Reactieve aanwijzing |
Planbegelei-ding en overig instrumenta-rium |
Stedelijke ontwikkelingen (zoekzones) |
(x) |
x | |||
Wonen |
(x) |
x | |||
Sociaal-culturele functies |
x | ||||
Werken |
nieuw beleid | ||||
Duurzame waterhuishouding en stedelijk water |
x | ||||
Infrastructuur |
x |
(x) |
x | ||
Groen in en om de stad |
x | ||||
Gelders stedelijk ontwikkelingsbeleid en stedelijke vernieuwing |
x |
x | |||
Locatiebeleid |
(x) |
x | |||
Functieverandering van gebouwen in het buitengebied |
x | ||||
Regionale waterberging |
(x) |
(x) |
|||
Grote Gelderse Rivieren (GGR) |
x |
||||
Primaire keringen |
x | ||||
Regionale keringen |
x | ||||
Vrijwaring randmeerzone |
x | ||||
Drinkwater |
x |
||||
Cultuurhistorie |
x | ||||
Aardkunde |
x | ||||
EHS |
x |
||||
Waterafhankelijke natuur |
x |
||||
Weidevogel- en ganzengebieden |
x |
||||
Natuur en boscompensatie |
x (gr.- bl. raamwerk en waardevol landschap) |
||||
Natura 2000 |
x |
||||
Landgoederen |
x | ||||
Land- en tuinbouw |
x | ||||
Glastuinbouw |
x |
x |
x |
||
Intensieve veehouderij |
x |
x |
x |
||
Stilte |
(x) |
x | |||
Waardevolle open gebieden |
x |
||||
Waardevolle landschappen |
(x) |
x | |||
Landschap overig |
(x) |
x | |||
Recreatie en toerisme |
x | ||||
Groei en Krimp |
x |
x |
|||
Defensie |
x | ||||
Duurzame energievoorziening (zoekzones windenergie) |
x |
x |
|||
Bagger |
x | ||||
Bouwgrondstoffen |
x | ||||
Industriële geur |
x (bij prov. bedrijven) |
||||
Industrie en milieu |
x | ||||
Externe veiligheid |
x | ||||
Luchtkwaliteit |
x | ||||
Geluid |
x | ||||
Natuur en recreatie |
x | ||||
Donkerte |
x | ||||
Nieuw beleid:
De Wro-agenda bevat de vertaalslag van het huidige beleid naar het nieuwe instrumentarium. Hiervoor hebben wij op basis van het bestaande beleid specifiek onze provinciale opgave aangegeven. Er zijn echter een aantal thema’s waarvoor nieuw beleid wordt geformuleerd. Bij het opstellen van dit nieuwe beleid zal niet alleen de inzet van het nieuwe instrumentarium worden meegenomen (verwezenlijkingsparagraaf), maar moeten wij ook de provinciale opgave, al dan niet regionaal, expliciet benoemen. Dit geldt voor de thema’s:
- Klimaat en energie
- Bedrijventerreinen (o.a. IZI)
- Bodem
- Luchtvaartterreinen
- Afwegingskader archeologie
- Beheersplannen (Natura 2000)
Organisatorische en financiële consequenties
Organisatorisch
Door de komst van de nieuwe wet verdwijnt een aantal oude taken (o.a. de goedkeuringsbevoegdheid) en krijgen we een aantal nieuwe taken erbij. Hoewel de Wro-agenda geen uitspraken doet over de financiële en organisatorische consequenties, kunnen wij u al wel een eerste indruk geven.
Vooruitlopend op de nieuwe wet is de afdeling RO gestart met een nieuwe werkwijze, die aansluit bij de nieuwe instrumenten. Deze nieuwe werkwijze vraagt van een groot aantal medewerkers van de afdeling andere competenties en zij zullen hiervoor worden bijgeschoold. Het actief realiseren van provinciale doelen kost meer energie en capaciteit dan het achteraf toetsen van ontwikkelingen. Dat geldt ook voor vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan (planbegeleiding). Uit de nieuwe werkwijze blijkt dan ook dat de inzet van het nieuwe instrumentarium op basis van de voorlopig vastgestelde Wro-agenda ongeveer net zo veel capaciteit vraagt als de huidige taken. Wij verwachten echter dat de actieve houding tot een beter resultaat zal leiden.
Financieel
Er zijn twee instrumenten waaraan een duidelijke financiële component zit (planschade). Dat zijn het inpassingsplan, waar naast de planschade ook plankosten aan vast zitten, en de (strikte) verordening. Bij het opstellen van de verordening voor de betreffende thema’s zal steeds een inschatting moeten worden gemaakt ten aanzien van deze financiële consequenties. Voor de projecten waarbij in deze agenda staat dat wij zeker een inpassingsplan gaan maken geldt dat het maken van het plan is of moet worden meegenomen in het projectbudget.
Wro-Agenda 2008-2009
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING 8
2 PROVINCIAAL STRATEGISCH BELEID IN 2 PAGINA'S 10
3 HET WRO-INSTRUMENTARIUM 12
4 UITWERKING VAN DE PROVINCIALE DOELEN EN AANPAK 14
4.1 Stedelijke ontwikkeling 14
4.1.1 Algemeen 14
4.1.2 Wonen 15
4.1.3 Sociaal-culturele functies 16
4.1.4 Werken 16
4.1.5 Duurzame waterhuishouding en stedelijk water 17
4.1.6 Infrastructuur 17
4.1.7 Groen in en om de stad 18
4.1.8 Gelders stedelijk ontwikkelingsbeleid en stedelijke vernieuwing 19
4.2 Locatiebeleid 20
4.3 Functieverandering van gebouwen in het buitengebied 21
4.4 Water 21
4.4.1 Regionale waterberging 21
4.4.2 Veiligheid tegen hoogwater 22
4.4.3 Schoon water uit de kraan 24
4.5 Aardkunde 26
4.6 Cultuurhistorie 26
4.6.1 Archeologie 26
4.6.2 Historische geografie 27
4.7 Ruimtelijk beleid voor natuur in Gelderland 27
4.7.1 Ecologische Hoofdstructuur (EHS) 27
4.7.2 Natura 2000 28
4.7.3 (Robuuste) ecologische verbindingszones 29
4.7.4 Waterafhankelijke natuur 29
4.7.5 Natuur buiten de EHS 29
4.7.6 Bos 30
4.8 Landgoederen 30
4.9 Land- en tuinbouw 31
4.9.1 Grondgebonden landbouw 31
4.9.2 Glastuinbouw 31
4.9.3 Intensieve veehouderij 33
4.10 Ruimtelijk beleid voor stilte 34
4.11 Landschap 34
4.11.1 Landschap algemeen 34
4.11.2 Waardevolle open gebieden 35
4.11.3 Waardevolle landschappen 35
4.11.4 Landschap overig 36
4.12 Recreatie & Toerisme 37
4.13 Defensie 39
4.14 Duurzame energievoorziening 39
4.15 Baggerspecie 40
4.16 Bouwgrondstoffen 40
4.17 Milieu 41
4.17.1 Industriële geur 42
4.17.2 Industrie en milieu 42
4.17.3 Externe veiligheid 43
4.17.4 Luchtkwaliteit 44
4.17.5 Geluid 45
4.17.6 Natuur en recreatie 45
4.17.7 Donkerte 46
1 INLEIDING
Twee jaar geleden is het Streekplan Gelderland vastgesteld en in uitvoering genomen. In het streekplan is het provinciaal ruimtelijk beleid vastgelegd en zijn de ruimtelijke ambities verwoord voor de komende jaren. Het beleid is opgesteld in samenspraak met de Gelderse regio's. Niet voor niets luidt de ondertitel van het Streekplan 'kansen voor de regio'. Ook bij de toepassing van het beleid wordt sterk gehecht aan de samenwerking tussen provincie en gemeenten.
Inmiddels staan we aan de vooravond van de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Deze wetswijziging vraagt van ons dat we nog bewuster inspelen op de specifieke provinciale belangen waarvoor we als provincie de verantwoordelijkheid nemen. Dit vraagt om een nadere vertaling van ons streekplanbeleid. Die vertaling is neergelegd in deze Wro-agenda. Deze Wro-agenda is te zien als de verwezenlijkingsparagraaf bij het Streekplan 2005 en kan als zodanig niet los gezien worden van dat streekplan.
Huidige Wro
De Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt fundamenteel veranderd. Onder de vigeur van de huidige Wro spelen het Rijk en de provincie, naast een beleidsvormende (nota Ruimte en Streekplan), voornamelijk een toezichthoudende rol in de ruimtelijke ordening: Wij beslissen over de goedkeuring van een bestemmingsplan of de verlening van een verklaring van geen bezwaar (artikel 19 Wro). Dit wettelijk stelsel leidt ertoe dat ruimtelijke beleidsplannen van Rijk, provincies en gemeenten in hoge mate verticaal op elkaar worden afgestemd. Want het Rijk, en met name de provincie, zien er op toe dat de bestemmingsplannen ook inderdaad worden vastgesteld conform hun beleid.
Daarnaast zorgt het huidig wettelijk stelsel in combinatie met de gegroeide politiek-bestuurlijke werkwijze voor een reactieve rol van Rijk en provincie. In beginsel zijn het Rijk en de provincie voor de vertaling van hun beleid naar bestemmingsplannen primair afhankelijk van gemeenten. Weliswaar hebben het Rijk en de provincie mogelijkheden om actief in te grijpen (bijvoorbeeld via de aanwijzing), maar dit gebeurt nauwelijks vanwege de politiek/bestuurlijke gevoeligheid.
Nieuwe Wro
De nieuwe wet kent een nieuwe filosofie. Het stelsel van de nieuwe wet gaat ervan uit dat elke overheid op basis van de eigen verantwoordelijkheid en de daarbij behorende instrumenten vooral proactief optreedt ter realisering van het eigen ruimtelijke beleid. De huidige goedkeuring vervalt. Iedere overheidslaag krijgt de instrumenten om het eigen ruimtelijke beleid waar te kunnen maken. Dit betekent dat ten opzichte van de huidige situatie vooral het Rijk en de provincies nieuwe instrumenten krijgen om actief en sturend op te treden. De nieuwe wet biedt ontwikkelingsgerichte instrumenten. Het inpassingsplan (rijks of provinciaal bestemmingsplan) is hiervan een voorbeeld. Ook krijgen Rijk en provincie nieuwe instrumenten voor het voeren van grondbeleid. Deze zullen worden gekoppeld aan de nieuwe Wro (o.a. onteigeningsrecht, voorkeursrecht). Daarnaast kent de wet beleidsdoorwerkende instrumenten, die er voor zorgen dat het rijks of provinciaal beleid vertaald wordt in de ruimtelijke plannen van de lagere overheid.
Natuurlijk staan er ons naast deze wettelijke instrumenten ook andere (stimulerende) instrumenten ter beschikking, zoals planbegeleiding, convenanten, subsidies etc.
Gedragslijn
Op 28 februari 2007
hebben Provinciale Staten de zogenaamde gedragslijn nieuwe Wro vastgesteld.
Deze gedragslijn heeft als uitgangspunt dat Gelderland optimaal de mogelijkheden
van de nieuwe Wro zal benutten en actief gebruik zal maken van de nieuwe
wet.
Samen werken aan resultaat
De inhoudelijke doelstellingen voor de ruimtelijke ordening staan centraal en niet de instrumenten. De omslag van een toetsingspraktijk, naar meer planbegeleiding en gezamenlijk optrekken bij het realiseren van ruimtelijke kwaliteit is flink. De laatste jaren is al wel ervaring opgedaan met planbegeleiding. Die ervaringen willen wij verder uitbouwen. De komende tijd willen wij samen met gemeenten investeren in het scherp krijgen van de nieuwe werkwijze die past bij de nieuwe Wro.
Deze Wro-agenda beoogt een goed kader te bieden voor de toepassing van nieuwe instrumenten en duidelijkheid te bieden waar dit reeds kan. In de Wro-agenda wordt beschreven welke instrumenten toegepast (kunnen) worden voor het verwezenlijken van provinciale doelen.
Ter illustratie: in de Wro-agenda is aangegeven voor welke projecten de provincie een inpassingsplan wil maken en voor welke projecten dit nu reeds wordt overwogen. Het is denkbaar dat lopende processen op enig moment alsnog tot de conclusie leiden dat ook daar een inpassingsplan het meest efficiënte sluitstuk is op een proces om het planologisch regime vast te leggen. Indien gewenst, kan dan alsnog worden besloten om een inpassingsplan op te stellen. Dit veronderstelt wel een heldere argumentatie omtrent het provinciaal belang en het gemeentegrensoverschrijdende (meerdere gemeenten) of in ieder geval gemeentegrensoverstijgende (bovengemeentelijke impact) karakter van het betreffende project.
Veel belangrijker dan de instrumentele invulling sec is de samenwerking met gemeenten en andere partijen om maatschappelijk gewenste doelen te realiseren en om ruimtelijke ontwikkelingen in onze provincie binnen een kwalitatief kader tot stand te laten komen. Afhankelijk van de kwaliteit van ruimtelijke plannen en specifieke regionale situaties kan de inzet van het instrumentarium verschillen.
Vóór de inzet van het instrumentarium zal altijd overleg worden gevoerd en afstemming worden gezocht met betrokken overheden. De inzet van het instrumentarium vormt het sluitstuk van een proces. Dit betekent dat wij gezamenlijk zorgdragen voor een mooie en dynamische provincie en hierover continu het gesprek voeren. Voor die doelen waarvoor wij als Gelderland de verantwoordelijkheid nemen, zijn wij bereid ook het wettelijk instrumentarium in te zetten om de doelen daadwerkelijk te bereiken. De insteek is steeds: wat levert de beste garanties voor het behalen van het gewenste maatschappelijk resultaat.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de uitgangspunten voor het ruimtelijk beleid. In hoofdstuk 3 worden de Wro-instrumenten toegelicht en in hoofdstuk 4 wordt voor alle ruimtelijk relevante provinciale doelen omschreven op welke wijze het Wro-instrumentarium ingezet zal worden.
2 PROVINCIAAL STRATEGISCH BELEID IN 2 PAGINA'S
Deze Wro-agenda gaat uit van bestaand beleid. Voor beleidsconcepten en de ruimtelijke begrenzing van kwaliteiten blijft het huidige streekplan onverkort van toepassing. Hoe wij met de bestaande kaarten en teksten in de hand de komende jaren als provincie onze inzet plegen is wél de inhoud van dit stuk.
We willen een mooie dynamische provincie. Groen en rood. Ontwikkelen en beschermen. We streven naar gezonde natuur met toekomst, goed functionerende watersystemen, behoud en ontwikkeling van specifieke cultuurhistorische, landschappelijke en andere kwaliteiten. Goede afwikkeling van de mobiliteit voor mensen en bedrijven. Een gezonde duurzame omgeving (lucht, geluid, licht), waarin het goed ondernemen en recreëren is. Een fijne plek voor de mensen in Gelderland in sociaal-cultureel opzicht en in een gezonde, mooie omgeving met volop ruimtelijke kwaliteit.
Omdat we niet overal maximale inzet willen en kunnen plegen sluiten we aan op de sturingsfilosofie uit het streekplan, die is opgehangen aan de provinciale hoofdstructuur:
- Enerzijds heeft de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur betrekking op de 'hoogdynamische' functies samenhangend met de hoofdinfrastructuur en intensieve vormen van ruimtegebruik zoals stedelijke functies, intensieve vormen van recreatie, met stedelijke ontwikkeling samenhangende groenontwikkeling (groen in en om de stad) en intensieve agrarische teelten. Dit is het rode raamwerk.
- Anderzijds heeft de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur betrekking op functies en kwaliteiten die afhankelijk zijn van een lage ruimtelijke dynamiek. De gebieden waar deze functies zijn geconcentreerd zijn kwetsbaar voor intensieve vormen van ruimtegebruik. Deze gebieden zijn de ecologische hoofdstructuur en waardevolle open gebieden, en de gebieden waar meer ruimte voor water wordt gecreëerd voor rivieren en voor regionale waterberging. Het provinciaal planologisch beleid is gericht op het vrijwaren van deze gebieden van intensieve gebruiksvormen. Dit is het groenblauwe raamwerk.
- Het multifunctioneel gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat de steden, dorpen, buurtschappen buiten de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur, waardevolle landschappen en het multifunctioneel platteland. In het provinciaal planologisch beleid vormen deze gebieden niet het speerpunt.
De sturingsfilosofie is geen doel op zich, maar hanteren we om te bepalen waar en wanneer we als provincie prioriteiten stellen. Dat zal vaker gebeuren in het rode raamwerk en het groen-blauwe raamwerk, maar kan ook voor specifieke belangen in het multifunctionele gebied gebeuren.
De Wro-agenda is primair gericht op ruimtelijk relevante aspecten van het beleid. De hoofddoelstelling van het Gelders ruimtelijk beleid voor de periode 2005-2015 is om de ruimtebehoefte zorgvuldig in regionaal verband te accommoderen en te bevorderen dat publieke (Rijk, provincie, gemeenten, waterschappen) en private partijen de benodigde ruimte vinden, op een wijze die meervoudig ruimtegebruik stimuleert, duurzaam is en de regionale verscheidenheid versterkt, gebruik makend van de aanwezige identiteiten en ruimtelijke kenmerken.
Met het ruimtelijk beleid (de inzet van haar ruimtelijk instrumentarium) beogen wij bij te dragen aan de versterking van de ecologische, economische en sociaal-culturele positie van Gelderland als één van de Europese regio's.
Hierbij hanteren wij, in wisselwerking met de beleidsinstrumenten van de andere omgevingsplannen, de volgende doelen als uitwerking van de hoofddoelstelling:
- sterke stedelijke netwerken en regionale centra bevorderen;
- versterken van de economische kracht en de concurrentiepositie van Gelderland;
- bevorderen van een duurzame toeristische-recreatieve sector in Gelderland met een bovengemiddelde groei;
- de vitaliteit van het landelijk gebied en de leefbaarheid van daarin aanwezige kernen versterken;
- de waardevolle landschappen behouden en verbeteren en de Ecologische Hoofdstructuur realiseren;
- de watersystemen veilig en duurzaam afstemmen op de veranderende water aan- en afvoer en de benodigde waterkwaliteit;
- een gezonde en veilige milieu(basis)kwaliteit bewerkstelligen;
- met ruimtelijk beleid bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van en in de provincie;
- bijdragen aan een evenwichtige regionaal gedifferentieerde ruimtelijke ontwikkeling, door de cultuurhistorische identiteiten en ruimtelijke kenmerken als inspiratiebron te hanteren in de ruimtelijke planning.
Deze Wro-agenda is een integraal product en gaat over hoe wij als provincie in nauwe samenwerking met gemeenten maatschappelijke vraagstukken aanpakken vanuit alle ruimtelijk relevante aspecten. Voor de helderheid is die aanpak hierna in stukjes beschreven. Door gebiedsgericht te werken en verbindingen te leggen waar dit meerwaarde biedt, krijgt in de praktijk de gewenste integraliteit vorm onder het motto: 'integraal waar nodig, sectoraal (alleen) waar het kan'.
Het ruimtelijk beleid van de provincie is er op gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan en om te helpen sectorale doelen te realiseren.
Centrale plek voor ruimtelijke kwaliteit
Bij al onze inspanningen vormt het begrip ruimtelijke kwaliteit onze leidraad. Of we nu sterke regionale centra bevorderen of de vitaliteit van het landelijk gebied versterken, we doen dat met ruimtelijke kwaliteit, of stimuleren anderen om dit met ruimtelijke kwaliteit te doen. Het gaat ons, naast functionaliteit (gebruikswaarde) en duurzaamheid (toekomstwaarde), in toenemende mate om aspecten als ontwerp en compositie, identiteit en diversiteit, betekenis en schoonheid (belevingswaarde). We zetten schoonheid op de kaart.
Onze ambitie is om ruimtelijke kwaliteit op verschillende schaalniveaus te organiseren en in woord en beeld te benoemen, zodat initiatiefnemers, betrokkenen en besluitvormers in voorkomende gevallen met meer oog voor relevante kwaliteitsaspecten plannen maken, beoordelen en uitvoeren.
Onze inzet is om ruimtevragende ontwikkelingen te inspireren met oog voor kwaliteit en betekenis van de leefomgeving. Het vakmanschap is gericht op zowel bouwen van gebouwen en openbare ruimte, als ook op bouwen aan natuur, landschap, water, verkeer, energie, klimaat. Dit benadrukt nog eens het belang van de samenwerking met gemeenten en andere partijen, waarbij iedereen vanuit eigen bevoegdheden en creativiteit haar bouwmeesterschap inzet. Dit betekent ook dat we waar nodig durven te differentiëren op basis van de kwaliteit die een bepaalde gemeente of regio laat zien.
3 HET WRO-INSTRUMENTARIUM
Naar verwachting zal op 1 juli 2008 de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in werking treden. Door deze wet verandert het provinciaal ruimtelijk instrumentarium aanzienlijk. Enkele van de huidige provinciale ruimtelijke ordeningstaken, zoals de goedkeuring van gemeentelijke plannen, komen te vervallen. Hiervoor in de plaats krijgen we nieuwe instrumenten, die ons de mogelijkheid geven zelf actief ons provinciaal beleid te realiseren. Goede planbegeleiding en tijdig overleg met gemeenten nemen daarin een centrale plaats in. De inzet van de nieuwe juridische instrumenten is aanvullend op goed overleg daar waar de provincie zelf de aangewezen partij is om zaken actief te regelen of waar de gewenste ontwikkeling of bescherming anders niet is te realiseren. Hieronder volgt een omschrijving van die nieuwe instrumenten en de toepassing hiervan door Gelderland.
Structuurvisie
Het ruimtelijk beleid wordt onder de nieuwe wet verwoord in de structuurvisie. Het overgangsrecht van de nieuwe wet regelt dat het huidige streekplan van rechtswege een structuurvisie wordt.
Omdat één van de uitgangspunten van deze Wro-agenda het bestaand beleid is (zoals onder andere verwoord in het streekplan) is er geen noodzaak voor een nieuwe structuurvisie. Er wordt derhalve niet verder ingegaan op dit instrument.
Inpassingsplan
Het inpassingsplan (= provinciaal bestemmingsplan) is vergelijkbaar met het gemeentelijke bestemmingsplan. Het plan bevat juridisch bindende regels omtrent het gebruik van een concreet gebied en van de zich daarin bevindende bouwwerken. Provinciale Staten zijn hiervoor het bevoegd gezag.
Het inpassingsplan biedt ons de mogelijkheid om voor projecten waarvoor wij zelf aan de lat staan, te kiezen om het ruimtelijk regime vast te leggen. Daar waar we samen met gemeenten optrekken in projecten zal er gaandeweg het proces afgesproken moeten worden wie de planologische vertaling op zich neemt. Willen wij overwegen om als provincie een inpassingsplan in te zetten, dan zal het project moeten voldoen aan de volgende criteria.
- Provinciaal belang (gemeentegrensoverstijgend).
Op basis van de wet kan de provincie een inpassingsplan maken als er sprake is van een provinciaal belang;
- Gelderland maakt het verschil.
Doordat de provincie het inpassingsplan maakt, wordt het project efficiënter, sneller uitgevoerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een gemeentegrensoverschrijdend project. Ook kan het zo zijn dat het project door andere partijen niet voldoende wordt opgepakt.
- Weinig ruimte voor lokale afweging.
Als wij in grote mate weten waar het plangebied ligt en hoe het moet worden ingevuld, ligt het eerder in de rede dat wij het plan maken dan wanneer er veel lokale aspecten in het geding zijn.
Het gaat bijvoorbeeld om projecten in het kader van de provinciale infrastructuur of de programma's Vitaal Gelderland, Gelderse Grote Rivieren en Klimaat en Energie.
Bij het opstellen van een inpassingsplan door de provincie geldt (uiteraard) dat alle kwaliteitseisen die in de hieropvolgende paragrafen worden beschreven ook in acht worden genomen.
Wij zullen tevens ons Wro-instrumentarium inzetten om plannen te voorkomen die realisering hinderen van een project, waarvoor wij voornemens zijn een inpassingsplan te maken.
Verordening
De verordening is een nieuw instrument dat algemene regels bevat voor gebieden, specifieke delen van gebieden of gebiedsgerichte thema's. Deze algemene regels, vastgesteld door Provinciale Staten, houden eisen in die door de provincie worden gesteld aan de inhoud van bestemmingsplannen. Indien gemeenten de inhoud van bestemmingsplannen niet in overeenstemming brengen met de verordening (lees: algemene regels) dan schuift de verordening het bestemmingsplan aan de kant.
De bepalingen van de verordening werken dan rechtstreeks in die zin dat deze bepalingen een weigeringsgrond kunnen vormen voor de bouw-, sloop- of aanlegvergunning.
Voor het instrument verordening is gekozen indien de provinciale verantwoordelijkheid voor het thema de zwaarte van dit instrument rechtvaardigt en ons beleid dusdanig duidelijk is geformuleerd dat het zich leent voor verankering in een verordening. Uitgangpunt is hierbij dat de verordening niet wordt ingezet als er op dat punt al sectorale wet- en regelgeving bestaat.
Totdat de verordening in werking is getreden, zullen wij daar waar nodig de reactieve aanwijzing inzetten.
Ook het Rijk kent het instrument van algemene regels. Zij kan A.M.v.B.'s opstellen om de juridische doorwerking van rijksbelangen in bestemmingsplannen te regelen. Deze A.M.v.B.'s kunnen direct worden gericht op gemeentelijke bestemmingsplannen of indirect op provinciale verordeningen (de zogenaamde getrapte A.M.v.B.). In de toekomst is het dan ook mogelijk dat wij op basis van een getrapte A.M.v.B. voor een beleidsthema een verordening moeten opstellen. Omdat op dit moment nog niet zeker is waarvoor het Rijk deze getrapte A.M.v.B.'s zal opstellen, houdt de Wro-agenda hier geen rekening mee.
Proactieve aanwijzing
De nieuwe wet geeft Gedeputeerde Staten de bevoegdheid de gemeenteraad door middel van een aanwijzing te verplichten - binnen een daarbij te bepalen termijn - een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien overeenkomstig bij die aanwijzing gegeven voorschriften. De aanwijzing ziet op een specifiek gebied of beleidsaspect binnen één of meer gemeenten.
Omdat het instrument ziet op specifieke situaties, doet de Wro-agenda geen algemene uitspraken over de proactieve aanwijzing. Een uitzondering hierop vormt de regionale waterberging. Het proces is op dit moment in een zodanig stadium dat de proactieve aanwijzing op korte termijn aan de orde kan komen.
Reactieve aanwijzing
Indien een plan in strijd is met het provinciale beleid kunnen Gedeputeerde Staten middels het geven van een reactieve aanwijzing interveniëren in de gemeentelijke bestemmingsplanprocedure en er voor zorgen dat (een gedeelte van) het plan niet in werking treedt. Hieraan voorafgaand heeft zij een zienswijze tegen dat plan moeten indienen.
De reactieve aanwijzing wordt ingezet voor beleidsthema's, die voorwaarden stellen aan nieuwe ontwikkelingen en hierbij een ruim afwegingskader bevatten. Deze thema's lenen zich vanwege deze nadere afweging niet voor de verordening. Dit geldt bijvoorbeeld voor thema's die uitgaan van het “ja, mits-principe”.
Flexibiliteit
Wanneer zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen het beleid, is de kwaliteit van het plan en de overeenstemming met betrokkenen bepalend voor het vervolg en niet het beleidskader als zodanig (het beleid is geen doel op zich).
Voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Gelderland zijn andere instrumenten, zoals grondbeleid en de nieuwe grondexploitatiewet zeker zo belangrijk als de inzet van het Wro-instrumentarium. Deze worden soms aangestipt, maar in deze Wro-agenda niet uitvoerig behandeld.
4 UITWERKING VAN DE PROVINCIALE DOELEN EN AANPAK
4.1 Stedelijke ontwikkeling
4.1.1 Algemeen
We streven naar:
- het bevorderen van sterke stedelijke netwerken en regionale centra;
- het versterken van de economische kracht en de concurrentiepositie van Gelderland;
- verbetering van de bereikbaarheid van en in de provincie.
Dat doen we door:
- bundeling van verstedelijking aan/nabij infrastructuur;
- het organiseren van verstedelijking in stedelijke netwerken;
- voorzien in voldoende ruimtelijke reservering voor de behoefte aan stedelijk functies als wonen, werken, winkels, sportvelden en -accommodaties, sociaal-culturele voorzieningen, scholen, kerken en dergelijke middels de zoekzones voor stedelijke functies.
Aanpak 2008-2009
We zien er op toe dat het aandeel van de bevolkingsomvang in de stedelijke netwerken en regionale centra ten minste wordt gehandhaafd, ten opzichte van de bevolkingsomvang van de provincie en de betreffende regio, met 1-1-2000 als referentie.
- Het betreft handhaving van het aandeel van de bevolkingsomvang van het nationaal stedelijk netwerk KAN ten opzichte van Gelderland als geheel
- Het betreft handhaving van het aandeel van de bevolkingsomvang van de regionale stedelijke netwerken Stedendriehoek en WERV en van de regionale centra Doetinchem, Tiel, Harderwijk ten opzichte van de bevolkingsomvang van de regio's Stedendriehoek, Vallei, Achterhoek, Rivierenland en Noord Veluwe.
Daarnaast is het provinciaal beleid ten aanzien van verstedelijking er op gericht om waar mogelijk te kiezen voor intensivering om het beslag op open ruimte zo beperkt mogelijk te houden en is van belang dat stedelijk uitbreidingen zijn afgestemd op uitgangspunten van infrastructuur, water en milieu. Door de samenwerkende gemeenten is hier in regionaal verband invulling aan gegeven door het aanwijzen van zoekzones voor verstedelijking. Toekomstige verstedelijking moet plaatsvinden binnen die zoekzones. Buiten de zoekzones is beperkt ruimte voor nieuwe stedelijke functies via functieverandering en ten behoeve van landschappelijke versterking.
Inzet van Wro-instrumenten
Het is aan gemeenten om binnen de zoekzones de ruimtelijke planvorming verder uit te werken, binnen de kaders van de streekplanuitwerking. Binnen de zoekzones is ruimte voor planmatige ruimtelijke ontwikkelingen. Daarover blijven we als provincie graag met gemeenten in gesprek met het oog op de kwalitatieve invulling van het gebied. Buiten de zoekzones is verstedelijking in principe niet toegestaan.
Wij geven gemeenten het vertrouwen om indien een gemeente aanleiding ziet om van de zoekzones af te wijken daarover met ons in gesprek te treden om te bespreken welke betere resultaten dit kan opleveren. In uiterste gevallen zetten we als provincie een reactieve aanwijzing in.
In de toekomst kan alsnog gekozen worden voor de inzet van een verordening, mogelijk voor een enkele regio of gemeente, indien deze aanpak in bepaalde gemeenten ongewenste resultaten oplevert.
4.1.2 Wonen
We streven naar
Een goede afstemming van vraag en aanbod op de regionale woningmarkt in de diverse Gelderse regio's, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Deze afstemming is van (bovenlokaal) provinciaal belang.
Dat doen we door
Ons beleid te richten op realisatie van voldoende woningen, met speciale aandacht voor een goede aansluiting van het kwalitatieve aanbod op de vraag. Betaalbare woningen, huurwoningen en woningen voor ouderen zijn daarbij specifieke aandachtspunten.
Per regio is de kwantitatieve behoefte uitgedrukt in een randtotaal. Voor heel Gelderland gaat het om een netto toevoeging van 90.500 woningen van 2005-2014. Dit totaal is in het coalitieakkoord voor de periode 2007-2011 vertaald naar een doelstelling voor heel Gelderland van gemiddeld 9000 te bouwen woningen per jaar, waarvan 35% geschikt is voor ouderen en 45% in het betaalbare segment.
Aanpak 2008-2009
De afspraken met gemeenten zijn vastgelegd in het Kwalitatief Woonprogramma 2005-2014 (KWP2). In 2008 houden we die afspraken tegen het licht en met ingang van 2010 wordt het KWP2 vervangen door het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (KWP3). Voor een deel van de Gelderse gemeenten stelt de provincie een stimuleringsbijdrage ter beschikking voor de bouw van betaalbare woningen. Daartoe zijn prestatieafspraken per gemeente gemaakt. In het kader van de uitvoering van de Stimuleringsbijdrage Goedkope Woningbouw 2007-2010 wordt periodiek met afzonderlijke gemeenten overleg gevoerd over de voortgang, en zo nodig wordt het aanjaagteam ingezet.
In ruimtelijke zin is van belang dat er voldoende ruimte is voor woningbouw. Hierin is voorzien middels de zoekzones voor verstedelijking. Bij de uiteindelijke ruimtelijke planvorming binnen die zoekzones en op andere locaties waar woningbouw mogelijk is, moeten de afspraken over specifieke woonwensen uit het KWP2 worden doorvertaald.
De provinciale aanpak is er op gericht dat gemeenten de afspraken in het KWP2 ook daadwerkelijk uitvoeren, waar nodig met ondersteuning vanuit de provincie. Monitoring van de voortgang, vroegtijdig overleg, inzet van aanjaagteam, het inbrengen van deskundigheid en financiële ondersteuning zijn daarbij belangrijke instrumenten.
Inzet van Wro-instrumenten
De uitvoering van het KWP2 is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Wij monitoren de voortgang van de uitvoering voor wat betreft de kwalitatieve differentiatie, omvang en tempo van de woningbouw. Wij voeren, al dan niet in regionaal verband, overleg met gemeenten over de uitvoering van het KWP2. Waar nodig en wenselijk spreken wij gemeenten aan op hun verantwoordelijkheid. Door de inzet van planbegeleiding willen we gemeenten ondersteunen waar dit helpt om hun aandeel in het regionale woningbouwprogramma gerealiseerd te krijgen. In bijzondere gevallen is de inzet van een reactieve aanwijzing denkbaar.
Bij het opstellen van het KWP-3 willen wij, in samenspraak met de gemeenten, inventariseren of de provinciale inzet van andere Wro-instrumenten, bijvoorbeeld de verordening, kan helpen om het gezamenlijke doel - de uitvoering van het kwalitatieve woonprogramma - te realiseren.
4.1.3 Sociaal-culturele functies
We streven naar
Behoud en ontwikkeling van een goede sociaal-culturele infrastructuur in Gelderland.
Dat doen we door
In te zetten op het opnemen van een goede sociaal-culturele infrastructuur als uitgangspunt in alle ruimtelijke planvorming. Dit draagt bij aan een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit.
Aanpak 2008-2009
De komende twee jaar willen wij dat als volgt bevorderen.
- Bij planbegeleiding van gemeenten wijzen op het nut van een goede sociaal-culturele infrastructuur (kennis en expertise inbrengen).
- Bij plannen waar we als provincie financieel aan bijdragen stellen we als eis:
- een goede sociaal-culturele infrastructuur;
- 3% van ruimte in plannen voor bebouwde omgeving reserveren voor speelruimte;
- “kwaliteitsoverleg” met gemeenten.
- Regio's adviseren de sociaal-culturele infrastructuur (met name voor accommodaties met een bovenlokale functie) in regiocontracten en de update daarvan voor 2010-2011 op te nemen. Dit in relatie tot de regionale sociale agenda's die zijn of worden opgesteld.
- Een goede sociaal-culturele infrastructuur in de eigen inpassingsplannen opnemen.
De aanpak is dus primair gericht op goed contact met de gemeenten en het bieden van inspiratie bovenop het geven van het goede voorbeeld in plannen waar we zelf aan werken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de social checklist, de sociale atlas en de culturele atlas.
Inzet van Wro-instrumenten
Deze werkwijze betekent dat we het bevorderen van een goede sociaal-culturele infrastructuur via planbegeleiding van gemeenten nadrukkelijk aan de orde stellen.
4.1.4 Werken
We streven naar:
Een goed vestigingsklimaat. Kwalitatief en kwantitatief voldoende goed ontsloten bedrijventerreinen in Gelderland om te voorzien in de toekomstige behoeften van het bedrijfsleven.
Dat doen we door:
- het optimaal benutten van de ruimte op bestaande werklocaties door revitalisering van bestaande bedrijventerreinen;
- samen met de Gelderse regio's de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen te sturen, waarbij een relatie ligt met het Gelderse locatiebeleid en de zoekzones verstedelijking; en
- afspraken te maken over parkmanagement op nieuwe terreinen.
Aanpak 2008-2009
Er is structuurvisie in voorbereiding voor bedrijventerreinen. In een verwezenlijkingsparagraaf bij die structuurvisie wordt de exacte inzet van instrumenten de komende periode vastgesteld.
Voor revitalisering en herstructurering worden meerjarige programma-afspraken gemaakt met gemeenten met forse investeringen van de kant van de provincie. Op dat punt biedt de Wro weinig extra mogelijkheden.
Wel is de selectieve ontwikkeling van nieuwe terreinen een belangrijke voorwaarde om herstructurering kans van slagen te geven. Een zekere selectiviteit is gewenst om op de echt belangrijke plekken kwaliteit te kunnen realiseren (de regionale bedrijventerreinen en herstructureringslocaties). Tegelijkertijd is 'schuifruimte' nodig om herstructurering daadwerkelijk uit te voeren.
Rondom bedrijventerreinen wordt gezocht naar het maken van pakketafspraken met gemeenten en ontwikkelaars om de gewenste kwaliteit te realiseren.
Bouwstenen voor gezamenlijke pakketafspraken omtrent bedrijventerreinen:
Kwaliteitsvragen - ontsluiting over water - cumulatie milieueisen - regionale bereikbaarheid - herstructurering - kwaliteit/kwantiteit regionale terreinen - zuinig ruimtegebruik - beeldkwaliteit - parkmanagement - openbaar vervoer |
Toegevoegde waarde - kennis milieukwaliteit - monitor bedrijventerreinen - kennis regionale bereikbaarheid - expertise parkmanagement - subsidie (onderdelen) - beleidsruimte (mogelijk) |
Inzet van Wro-instrumenten
De feitelijke discussie en afweging wat betreft de inzet van Wro-instrumenten moet plaatsvinden in het kader van de structuurvisie bedrijventerreinen. Dan wordt de inzet van de Wro afgezet tegen de geformuleerde doelstellingen en het totale instrumentarium dat daarvoor ingezet kan worden.
4.1.5 Duurzame waterhuishouding en stedelijk water
Wij streven naar
Voldoende ruimte voor water in nieuwe verstedelijking van regionaal belang.
Dat doen we door
In ruimtelijke plannen water vroegtijdig mee te nemen in het proces en in het uiteindelijke plan voldoende ruimte te reserveren voor water.
Aanpak 2008-2009
Door middel van de watertoets wordt er voor gezorgd dat water in een vroegtijdig stadium goed verankerd wordt in ruimtelijke plannen. Het overheidsorgaan dat het ruimtelijk plan opstelt is verantwoordelijk voor het doorlopen van de watertoets. Het waterschap ziet erop toe dat dit ook daadwerkelijk en op een zorgvuldige wijze gebeurt. Indien dat niet het geval is, zal zij tegen het plan een zienswijze indienen, eventueel gevolgd door beroep bij de Raad van State.
Inzet van Wro-instrumenten
Met de waterschappen is afgesproken dat zij het eerste aanspreekpunt zijn voor initiatiefnemers ten aanzien van de watertoets en dat het waterschap de provincie betrekt in haar rol als grondwaterbeheerder.
4.1.6 Infrastructuur
We streven naar
Het waarborgen van de (veilige) bereikbaarheid van stedelijke gebieden, bedrijventerreinen en voorzieningen vanuit landelijke en stedelijke gebieden met de auto én het openbaar vervoer.
Dat doen we door
De bestaande infrastructuur optimaal te benutten. Dat betekent (via locatiebeleid) zoveel mogelijk bouwen bij bestaande knooppunten van weginfrastructuur en openbaar vervoer en waar mogelijk stimuleren van openbaar vervoer en fiets als alternatief voor de auto.
Aanpak 2008-2009
Een belangrijk spoor is het ondersteunen van een goed doordachte planvorming van de kant van gemeenten. Het mag niet zo zijn dat nieuwbouwplannen geen rekening houden met mobiliteitseffecten waardoor de knelpunten van de toekomst worden gecreëerd. Dit is een onderwerp dat samen met gemeenten opgepakt wordt. Daarnaast wordt er fors geïnvesteerd in infrastructuur voor openbaar vervoer, fiets én auto.
De Wro biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe infrastructuur en het voorkomen van nieuwe mobiliteitsknelpunten.
Inzet van Wro-instrumenten
Ontwikkeling
Voor de aanleg van (provinciale) weginfrastructuur, (H)OV-infrastructuur en fietspaden is inzet van een inpassingsplan denkbaar. Daar waar lokale aspecten overheersen is de planologische regeling de verantwoordelijkheid van de gemeente in overleg met de provincie die hier actief haar beleid wil uitvoeren.
De komende twee jaar neemt de provincie haar verantwoordelijkheid, door het maken van een inpassingsplan voor in ieder geval de volgende projecten:
- N 348 Omleiding Zutphen/Eefde;
- N 346 Omleiding Lochem;
- N 303 Omleiding Voorthuizen.
Nog voor de wet in werking treedt is de provincie al bezig met de voorbereidende werkzaamheden die horen bij het maken van een inpassingsplan of bestemmingsplan voor het project "N 322: Druten/Beneden Leeuwen".
Bescherming
Voor het voorkomen van nieuwe mobiliteitsproblemen zet de provincie in op planbegeleiding door gevraagd en ongevraagd kennis en expertise in te brengen bij gemeenten en zodoende bij te dragen aan een bewuste, zorgvuldige belangenafweging. Denkbaar is dat een reactieve aanwijzing wordt ingezet indien de planvorming onvoldoende recht doet aan mobiliteitsaspecten. Daarbij is er aandacht voor de locatiekeuze (kritisch volgen van plannen voor kantoren en/of bedrijventerreinen buiten de knooppunten), voor effecten op provinciale wegen en voor inrichtingsaspecten wat betreft het gebruik van geplande locaties.
4.1.7 Groen in en om de stad
We streven naar
Het realiseren van een beperkt aantal stedelijke uitloopgebieden onder de noemer Groen in en om de stad.
Dat doen we door
Actief samen met gemeenten zorg te dragen voor de realisatie van deze groene zones. De verantwoordelijkheid voor de realisatie ligt primair bij gemeenten waarbij de provincie een ondersteunende rol speelt.
Aanpak 2008-2009
Speciale aandacht gaat uit naar Park Lingezegen. Hierover zijn afspraken gemaakt met het Rijk en met partijen in de regio. In het Gelders coalitieakkoord is vastgelegd dat de provincie ervoor zorgt dat het park aangelegd wordt. Momenteel wordt onderzocht hoe de huidige planologische belemmeringen voor de realisering van het park weggenomen kunnen worden en het park voorzien kan worden van een actueel, toegesneden planologisch kader.
Inzet van Wro-instrumenten
Wij stimuleren en faciliteren gemeenten om actief zorg te dragen voor groen in en om de stad mogelijk als integraal onderdeel van verstedelijkingsplannen, al dan niet onder de grondexploitatiewet. Hiertoe worden geen Wro-instrumenten ingezet.
Uitzondering hierop vormt Park Lingezegen. De provincie is reeds bezig met de voorbereidende werkzaamheden die horen bij het maken van een inpassingsplan voor Park Lingezegen. Of de verschillende gemeenten het plan opnemen in hun bestemmingsplan of dat praktisch is als de provincie een inpassingsplan maakt wordt duidelijk in de loop van 2008. De werkwijze kan zijn dat de opdracht tot het opstellen van één of meerdere plannen door de provincie wordt gegeven en dat de begeleiding van het proces wordt verzorgd door de provincie in nauwe samenwerking met betrokken gemeenten. De daadwerkelijke vaststelling kan mogelijk door de betrokken gemeenteraden (blijven) plaatsvinden.
In het kader van de te sluiten bestuursovereenkomst in 2008 zullen de afspraken over de verdeling van de verantwoordelijkheid met betrekking tot de totstandkoming van nieuwe bestemmingsplannen worden uitgewerkt.
4.1.8 Gelders stedelijk ontwikkelingsbeleid en stedelijke vernieuwing
We streven naar:
- het voorkomen van trek uit de stad en voorkomen sociale scheiding woningbouw;
- het versterken van de centrumfunctie van de acht grote Gelderse steden;
- het verbeteren van sociale samenhang en een duurzame leefomgeving in de meest kwetsbare stadswijken en voorkomen dat stadswijken in een neerwaartse spiraal belanden.
Dat doen we door:
- het verbeteren van het woningbestand en woningdifferentiatie in stadswijken;
- verbetering van leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare stadswijken;
- uitvoering sleutelprojecten ofwel transformatie van grotere gebiedsdelen ten behoeve van de versterking van de centrumfunctie;
- onder de noemer stedelijke vernieuwing inzetten op het in goede banen leiden van integrale gebiedsontwikkeling in stedelijk gebied, in samenwerking met de relevante partners.
Aanpak 2008-2009
Er lopen nog uitvoeringsprogramma's GSO/ISV-2 waarin ondermeer herstructurering van woningbestanden doorlopen tot 2010. Momenteel werken we aan voortzetting en vernieuwing van de programmatische afspraken (GSO en ISV) met de acht GSO-steden. In de nieuwe periode worden:
- voor 22 stadswijken in de acht GSO-steden contracten afgesloten ter verbetering van sociale samenhang en duurzaamheid;
- voor acht sleutelprojecten (een in elke GSO-stad) uitvoeringsprogramma's afgesproken.
De uitvoering wordt (intergraal) ondersteund door de provincie: de sleutelprojecten door accountmanagers en de wijkplannen door een GSO-netwerk met de steden (GSO-stedenagenda van de G8).
De provincie is budgethouder voor het investeringsbudget stedelijke vernieuwing van het Rijk. We kennen twaalf programmagemeenten (deels overlap met GSO) en projectgemeenten. Op dit moment lopen de onderhandelingen met het Rijk over ISV3 (vanaf 2010). In ISV 1 en 2 maakten gemeenten een meerjarenontwikkelingsprogramma (MOP). Op basis van de doelen en resultaten beschreven in deze MOP's kende de provincie subsidie toe. Van projectgemeenten wordt gevraagd aan te geven hoe de ontwikkeling van het desbetreffende gebied (waarvoor subsidie wordt aangevraagd) past binnen de totale beoogde ontwikkeling van de bebouwde omgeving.
Transformatie, herstructurering en kwaliteitsverbeteringen van stedelijke gebieden raken indirect aan streekplanzaken. Dat geldt voor bedrijfsverplaatsingen, bereikbaarheid, druk op woningbouw en op de woningmarkten. De contractrelatie betekent dat GSO vooral stoelt op instrumenten van overleg met de steden.
Inzet van Wro-instrumenten
Met de gemeenten maken we afspraken over onze gezamenlijke inzet bij deze gebiedsontwikkelingen (immateriële en materiele afspraken). Op voorhand ligt inzet van de nieuwe Wro-instrumenten hiervoor niet voor de hand, aangezien er juist programmatische afspraken worden gemaakt voor het realiseren van de (nog overeen te komen) doelstellingen. Wel zal nadrukkelijk gekeken worden in welke mate de Gelderse aanpak gebiedsontwikkeling (is in ontwikkeling) en actief grondbeleid (risicobewuste participatie) kunnen helpen om de sleutelprojecten tot een succes te maken. Indien daarbij provinciale Wro-instrumenten een bijdrage kunnen leveren, bijvoorbeeld middels het opstellen van een inpassingsplan, zullen die in goed onderling overleg worden ingezet.
4.2 Locatiebeleid
We streven naar
Een uitgekiende locatiekeuze voor bedrijven en voorzieningen op basis van de aspecten economie, mobiliteit en leefomgeving. Daarmee is het locatiebeleid in feite een instrument om de doelstellingen ten aanzien van werken, mobiliteit en leefomgeving te verwezenlijken
Dat doen we door
Bundeling van intensieve stedelijke functies aan knooppunten in het rode raamwerk.
Aanpak 2008-2009
Onze inzet onder de nieuwe Wro is om gemeenten te stimuleren om hun ruimtelijke ontwikkeling optimaal te richten op knooppunten. Van essentieel belang daarbij is dat het mobiliteitsprofiel van de te vestigen (gevestigde) bedrijven, voorzieningen en instellingen overeenkomt met het mobiliteitsprofiel van de betreffende locatie/knooppunt. Het is zaak hier reeds vroeg in het planvormingsproces rekening mee te houden.
Inzet van Wro-instrumenten
Goed overleg en afspraken over de benodigde investeringen, bijvoorbeeld in capaciteitsverbetering van de betreffende infrastructuur vormen de basis voor de toepassing van het locatiebeleid zoals verwoord in het streekplan. Dit vraagt steeds een integrale afweging tussen economie, bereikbaarheid en leefbaarheid. In uiterste gevallen waar onenigheid blijft bestaan over de gemaakte afweging kan een reactieve aanwijzing worden ingezet.
4.3 Functieverandering van gebouwen in het buitengebied
We streven naar
Behoud van levendigheid en verbetering van kwaliteit op het platteland, ondanks grote verschuivingen de komende jaren.
Dat doen we door:
- land- en tuinbouwbedrijven de mogelijkheid te geven niet-agrarische nevenfuncties te vervullen;
- de behoefte aan landelijk wonen en in tweede instantie werken te accommoderen in vrijgekomen gebouwen in het landelijk gebied. Hiermee kan een impuls worden gegeven aan de leefbaarheid en vitaliteit van het landelijk gebied;
- niet-agrarische bedrijvigheid die gebonden is aan de kwaliteiten en de functies van dat buitengebied ruimte te bieden;
- verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door vrijgekomen gebouwen te hergebruiken en door per bouwperceel waar functieverandering plaatsvindt de resterende vrijgekomen gebouwen te slopen.
Aanpak 2008-2009
De Gelderse regio's hebben op basis van het Streekplan 2005 de mogelijkheid gekregen om te komen tot een regionale invulling van het beleidskader voor functieverandering van agrarische gebouwen. Uitgangspunten daarbij zijn:
- aandacht voor verevening (nu meer aandacht voor kwaliteit op de locatie, in de toekomst afhankelijk van de GREX wellicht meer op gebiedsniveau);
- provinciale regels gelden tot er een geaccordeerde regionale invulling ligt;
- afhankelijk van de regionale afspraken inzet van de provincie (toezicht, meedenken bij maatwerk);
- gemeenten passen zelf de eigen regionale regeling toe;
- provincie zet in op monitoring van de resultaten en wil met gemeenten in gesprek blijven over de feitelijke realisatie van de gewenste kwaliteitsslag.
Inzet van Wro-instrumenten
Elke regio heeft een eigen gebiedsspecifieke invulling van de regeling voor functieverandering. Daar gaat een rechtstreekse werking van uit richting gemeenten. Wij verwachten dat gemeenten hun eigen regeling zorgvuldig toepassen. Om de gewenste kwaliteit te realiseren willen we graag met gemeenten in gesprek blijven over de toepassing van functieverandering en de resultaten monitoren.
4.4 Water
4.4.1 Regionale waterberging
We streven naar
Het langer vasthouden van water, als onderdeel van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren', door water tijdelijk te bergen in het regionale watersysteem ten tijde van grote neerslaghoeveelheden.
Dat doen we door
Het aanwijzen van gebieden voor (vlakvormige) regionale waterberging en door verbreding van watergangen. Uiterlijk 1 januari 2008 hebben de gemeenten de waterbergingsgebieden in hun bestemmingsplannen vastgelegd.
Aanpak 2008-2009
De waterschappen zijn verantwoordelijk voor ontwikkeling/totstandkoming van waterberging. In samenwerking met gemeenten zorgen zij voor verankering in bestemmingplannen. De provincie bewaakt dat de waterberging daadwerkelijk tot stand komt en dat er geen ontwikkeling plaatsvinden in de aangewezen waterbergingsgebieden die waterberging in de weg staan.
Inzet van Wro-instrumenten
Het waterschap heeft de primaire verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en realisatie van de waterbergingsgebieden. De ruimtelijke bescherming van de waterbergingsgebieden ligt bij de provincie en gemeenten (conform de streekplanuitwerking waterberging). De waterschappen zorgen in samenwerking met de gemeenten dat de gebieden planologisch worden verankerd. Met de reactieve aanwijzing heeft de provincie corrigerend instrumentarium achter de hand om in te grijpen als achteraf blijkt dat sprake is van strijdigheid met het provinciaal beleid.
De proactieve aanwijzing kan in het uiterste geval worden ingezet, als gaandeweg het proces blijkt dat de waterschappen er wat betreft de planologische doorwerking van het provinciale beleid, niet (tijdig) uitkomen met de gemeenten. Het waterschap is en blijft verantwoordelijk voor de realisatie.
Dit instrumentarium is in lijn met het beschermingsniveau van het huidige streekplan.
Overigens is de inzet van de proactieve aanwijzing mogelijk snel aan de orde. Op dit moment zijn de waterbergingsgebieden door geen van de betrokken gemeenten vastgelegd in de bestemmingsplannen.
4.4.2 Veiligheid tegen hoogwater
Gelderse Grote Rivieren
We streven naar
Het realiseren van voldoende ruimte voor de rivieren. Daarbij wordt uitgegaan van oplossingen die duurzaam zijn en ook toekomstige hogere rivierafvoeren aan kunnen.
In tegenstelling tot de PKB Ruimte voor de Rivier, die zich primair richt op veiligheid in 2015, wil de provincie bij de maatregelen ook andere aspecten zoals ruimtelijke kwaliteit realiseren tegelijk met de verbetering van de veiligheid.
Dat doen we door
Met de gemeenten Zutphen, Voorst en Brummen in het kader van de IJsselsprong te werken aan een oplossing die op termijn ook goed is. In het project WaalWeelde werkt de provincie met onder meer regio's, gemeenten, bedrijfsleven en instellingen samen aan een ruimtelijk investeringsprogramma voor korte én langere termijn met maatregelen die onder andere zijn gericht op meer rivierruimte.
Het Rijk is verantwoordelijk voor doorwerking van de PKB. Provincie en gemeenten nemen de ruimtelijke reserveringen uit de PKB over in hun ruimtelijke plannen en zijn voor een aantal maatregelen initiatiefnemer. De waterschappen hebben een uitvoerende rol. Voor een aantal Ruimte voor de Rivier-maatregelen zijn waterschappen initiatiefnemer.
Aanpak 2008-2009
Voor het Wro-instrumentarium dat voor het programma Gelderse Grote Rivieren wordt ingezet is het van belang onderscheid te maken in:
- het Basispakket van de PKB (korte termijn);
- de reserveringen voor de lange termijn uit de PKB.
Het Rijk is primair verantwoordelijk voor de doorwerking van maatregelen uit het Basispakket van de PKB. Dat wil zeggen de vertaling van het pakket in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Met de nieuwe Wro is het Rijk zelf verantwoordelijk voor de inzet van instrumenta-rium.
In 2008 besluit de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat of het WaalWeelde-pakket en het voorstel van de regio voor rivierverruiming bij Zutphen zal worden overgenomen in het Basispakket van de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier.
Inzet van Wro-instrumenten
De inzet van het instrument 'inpassingsplan' wordt overwogen voor bijvoorbeeld de rivierverruimende maatregelen bij Zutphen (IJsselsprong) en Druten. Voor een definitieve keuze in de toepassing van Wro instrumentarium wordt de besluitvorming, op het voorstel voor alternatieve maatregelen voor onderdelen uit het Basispakket, afgewacht.
Beschermingszone primaire keringen
We streven naar
Bescherming tegen overstromingen door hoogwater op de Rijntakken, de Maas en het IJsselmeer en de Randmeren.
Dat doen we door
Goedkeuring van het dijkverbeteringsplanen en het toepassen van onze toezichtsinstrumenten. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van de primaire keringen ligt bij het Rijk en het waterschap. Het Rijk draagt zorg voor het aanwijzen van primaire keringen en de normering er van. Het waterschap voor aanleg, toetsing en onderhoud.
Aanpak 2008-2009
Inzet van het ruimtelijk instrumentarium achten wij in beginsel niet nodig omdat de Wet op de waterkering en het Keur volstaan om regulerend op te kunnen treden. Het Rijk is verantwoordelijk voor aanwijzing en normering van de primaire keringen. Het waterschap is verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud en zorgt in samenwerking met de gemeenten dat de betreffende trajecten planologisch worden verankerd. De provincie is niet primair verantwoordelijk en heeft alleen de rol van toezichthouder.
Inzet van Wro-instrumenten
Er worden geen Wro-instrumenten ingezet. Het Rijk en het waterschap benutten de mogelijkheden van de Wet op de waterkering en het Keur en waar nodig de beroepsmogelijkheden van de Wro.
Beschermingszone regionale keringen
We streven naar
Bescherming van het laaggelegen achterland tegen overlast door inundatie vanuit het regionale systeem.
Dat doen we door
Het aanwijzen en normeren van waterkeringen (in een provinciale verordening). In het Besluit regionale keringen is opgenomen dat het waterschap primair verantwoordelijk is voor aanleg en onderhoud van de keringen. In de huidige praktijk staat de samenwerking tussen waterschap en gemeenten centraal: in samenwerking met gemeenten (watertoets) dragen de waterschappen zorg voor verankering in bestemmingplannen.
Aanpak 2008-2009
Wij achten inzet van het ruimtelijk instrumentarium in beginsel niet nodig omdat de Wet op de waterkering en het Keur volstaan om regulerend op te kunnen treden. Mocht het toch noodzakelijk zijn om er in het planologisch spoor in te grijpen dan is het de verantwoordelijkheid van het waterschap om daar haar ruimtelijk instrumentarium op in te zetten (zienswijze en beroep bij de Raad van State).
Inzet van Wro-instrumenten
Wij zetten geen Wro-instrumenten in. Het waterschap benut de mogelijkheden van de Wet op de waterkering en het Keur en daar waar nodig de beroepsmogelijkheden van de Wro.
Vrijwaring randmeerzone
We streven naar
Het voorkomen van problemen door peilstijging van de Randmeren.
Dat doen we door
Te anticiperen in de ruimtelijke planvorming op een mogelijke peilstijging van de Randmeren. De Gelderse oevers van de (Veluwe) Randmeren kennen (grotendeels) een natuurlijke bescherming tegen het water. Het zijn de zogenaamde 'hoge gronden'. Een primaire waterkering ontbreekt.
Tot de tijd dat het Rijk een definitief besluit heeft genomen over de peilstijging van de Veluwe Randmeren wordt het betreffende gebied in het streekplan geduid als signaleringszone in verband met mogelijke peilstijgingen. Dit betreft het gebied vanaf de huidige waterlijn tot aan de hoge gronden van de Veluwe (de NAP +1 meter lijn).
Aanpak 2008-2009
De provincie verwacht van het Rijk uiterlijk voor 1 januari 2009 (einde planperiode derde Gelders waterhuishoudingsplan), op basis van onderzoek naar de ruimtelijke gevolgen, een zonering vast te leggen voor ruimtelijk beleid. Gedurende de uitvoering van het onderzoek zullen de betreffende gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen, conform de wettelijke watertoetsverplichting, rekening houden met het geldende beleid.
Het Rijk wenst als ruimtelijk beleid voor de gehele signaleringszone: bestaande bestemmingen en bestaand gebruik zijn mogelijk. Nieuwe, onomkeerbare ontwikkelingen die bij een peilstijging van de Randmeren kunnen leiden tot risico's op schade, worden afgewogen tegenover werkelijk benodigde ruimte aan vrijwaringszone voor de peilstijging.
Inzet van Wro-instrumenten
In het streekplan is aangegeven dat de provincie verwacht van het Rijk dat zij het initiatief neemt om de ruimtelijke gevolgen te onderzoeken en op basis daarvan eventueel een zonering vast te leggen in haar ruimtelijk beleid. Op dat moment kan het provinciaal ruimtelijk beleid hierop aangepast worden en kan in het juiste instrumentarium worden voorzien. Tot het moment dat het Rijk een eventuele zonering heeft vastgelegd in haar ruimtelijke beleid zal bij nieuwe ontwikkelingen, conform de wettelijke watertoetsverplichting en middels planbegeleiding, rekening worden gehouden met de signalerende vrijwaringszone.
4.4.3 Schoon water uit de kraan
Bescherming grondwater en waterwingebieden
We streven naar
Het op eenvoudige wijze gebruiken van het grondwater (zonder ingrijpende en kostbare zuivering) voor de bereiding van drinkwater.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden (begrensd door de zgn. 1-jaarszone) en grondwaterbeschermingsgebieden (begrensd door de zgn. 25-jaarszone).
Dat doen we door
Voor alle grondwaterbeschermingsgebieden (25-jaarszone) het stand still, step forward-principe te hanteren. In waterwingebieden (1-jaarszone) geldt dat geen andere bestemmingen worden toegestaan dan ten behoeve van waterwinning.
Aanpak 2008-2009
Conform het huidige streekplan. Dat houdt in dat het risico voor het grondwater niet vergroot mag worden en dat gestreefd moet worden naar risicoreductie.
In het streekplan is onderscheid gemaakt tussen grondwaterbeschermingsgebieden en stedelijke grondwaterbeschermingsgebieden. Dit is omdat de stedelijke beschermingsgebieden niet zijn opgenomen in de Provinciale milieuverordening Gelderland. Deze winningen worden alleen via het ruimtelijk- en beleidsspoor beschermd. Voor alle beschermingsgebieden ziet de provincie er op toe dat de risico's voor (toekomstige) waterwinning niet toenemen.
Inzet van Wro-instrumenten
De gebieden en het ruimtelijk regime dat wordt nagestreefd zijn bekend. Zowel de grondwaterbeschermingsgebieden als de waterwingebieden kunnen middels een verordening beschermd worden.
Dubbeling met de provinciale milieuverordening voor de niet-stedelijke winningen moeten daarbij worden voorkomen. Het stand still, step forward-principe is alleen van toepassing op nieuwe ontwikkelingen. Bestaande situaties mogen blijven bestaan. Ook in de waterwingebieden gaat het alleen om nieuwe ontwikkelingen.
Bescherming oppervlaktewater
We streven naar
Bescherming van het oppervlaktewater van (het stroomgebied van) de Klaarbeek en de Bommelerwaard, omdat dit (indirect) wordt ingezet voor drinkwaterproductie.
Dat doen we door
Planologische bescherming in het stroomgebied van de Klaarbeek. Ruimtelijke ontwikkelingen met een hoog vervuilingsrisico worden geweerd, of mogen slechts onder strikte voorwaarden plaatsvinden. Een deel van het stroomgebied van het Apeldoorns Kanaal ten zuiden van Apeldoorn, is als drinkwaterfunctie in voorbereiding. Dit wordt beschermd tegen ingrepen die de drinkwaterfunctie onmogelijk maken.
Om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te voorkomen, ten behoeve van de drinkwaterfunctie van de Afgedamde Maas, hebben betrokken partijen afspraken gemaakt in een intentieverklaring.
Aanpak 2008-2009
Zie vorenstaande.
Inzet van Wro-instrumenten
Het meest voor de hand ligt met het Wro-instrumentarium aan te sluiten bij het instrumentarium dat voor de bescherming van grondwater en waterwingebieden wordt ingezet. Voor de Bommelerwaard geldt dat het Rijk zich moet uitspreken over de mate van bescherming die zij wenst.
Als bescherming noodzakelijk is, kan dit te zijner tijd worden vertaald in provinciaal ruimtelijk beleid en geschikt instrumentarium.
De Klaarbeek is behalve van belang voor drinkwater ook een watergang van het hoogste ecologische niveau. Daardoor wordt de gewenste bescherming geregeld via de verordening voor HEN- en SED-water (zie paragraaf 4.7.4).
4.5 Aardkunde
Voor zover we hier op sturen is het onderdeel van de aanpak van waardevolle landschappen. Voor het overige geldt voor dit thema dat het streekplan behalve een politiek wilsdocument van de provincie ook een kennisbron is en ter inspiratie dient voor gemeenten. Gemeenten kunnen gebruikmaken van de beschikbare informatie omtrent aardkundige kwaliteiten bij de provincie.
4.6 Cultuurhistorie
Cultuurhistorie in zijn algemeenheid is een kwaliteitsaspect dat onderdeel uitmaakt van de aanpak van ruimtelijke kwaliteit. In deze paragraaf benoemen we enkele specifieke regelingen die we inzetten gericht op cultuurhistorie.
4.6.1 Archeologie
We streven naar
Het duurzaam instandhouden van archeologische waarden in de bodem (bescherming in situ).
Dat doen we door
Te komen tot een provinciaal afwegingskader. De bescherming van archeologische waarden is wettelijk geregeld op Europees en nationaal niveau (Malta wetgeving/Verdrag van Valleta; Wet op de Archeologische Monumentenwet (WAMZ), Monumentenwet '88. In het streekplan is met deze wetgeving als achtergrond een provinciaal afwegingskader aangekondigd. Het provinciaal belang ten aanzien van archeologie zal in dit (nog op te stellen) afwegingskader worden omschreven.
Aanpak 2008-2009
Om de gemeente in staat te stellen haar verantwoordelijkheid te nemen, stelt de provincie haar kennis en expertise beschikbaar. Voor de zaken waarvoor de provincie de verantwoordelijkheid neemt, kan zij ook de Wro inzetten. Dit betekent ook dat de provincie waar zij zelf inpassingsplannen maakt archeologische kwaliteiten meeweegt.
Vanuit de WAMZ dient archeologie volwaardig te worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
De Provincie heeft vanuit de WAMZ het instrument Attentiegebieden gekregen (artikel 44). Met dit instrument kunnen gemeenten verplicht worden de aangewezen gebieden met bijbehorende archeologische maatregelen in bestemmingsplannen op te nemen.
Voor dit beleidsveld wordt nieuw beleid ontwikkeld. Daarbij betrekken we de mogelijke inzet van nieuwe Wro-instrumenten. Het wettelijk kader maakt dat archeologie primair een gemeentelijke verantwoordelijkheid is, behalve die onderdelen waarvoor de provincie de verantwoordelijkheid neemt in het nog op te stellen beleidskader.
Inzet van Wro-instrumenten
De feitelijke discussie en afweging wat betreft de inzet van Wro-instrumenten moet plaatsvinden in het kader van het opstellen van het nieuwe beleidskader voor archeologie. Op basis van de huidige wettelijke regelingen ligt de verantwoordelijkheid primair bij gemeenten. Onze inzet is er op gericht om gemeenten middels planbegeleiding te ondersteunen.
Speciale aandacht bij de planbegeleiding gaat uit naar de Gelderse molenverordening. In uiterste gevallen kan dat aanleiding geven voor het inzetten van een reactieve aanwijzing.
4.6.2 Historische geografie
We streven naar
Het duurzaam instandhouden van historische buitenplaatsen, tuinen/parken, stads- en dorpsgezichten en monumenten en daarnaast versterking van de Gelderse cultuurhistorische landschapidentiteiten.
Dat doen we door
Voor het behoud van historische gebouwen is de Monumentenwet van kracht. Voor het behoud van molens en de 'molenbiotopen' is de Gelderse Molenverordening van kracht. De provincie bevordert een goede samenloop van enerzijds aanwijzing in het kader van de Monumentenwet en Molenverordening, en anderzijds toepassing van de Wro, ter bescherming van cultuurhistorische kwaliteiten die in het geding zijn.
Voor de versterking van de Gelderse cultuurhistorische landschapidentiteiten zijn tien Belvoir-gebieden aangewezen en tevens vormt cultuurhistorie een belangrijk element in de waardevolle landschappen en in de EHS.
Aanpak 2008-2009
De provincie bevordert een ontwerpkwaliteit die belangrijke historische gegevenheden integreert in de planvorming en die bijdraagt aan het scheppen van nieuwe kwaliteiten die tot onze cultuurhistorische waarden gaan behoren.
De provincie hanteert een instandhoudingssubsidie voor behoud van historische buitenplaatsen en voor de Belvoir-gebieden zijn er projectsubsidies.
Inzet van Wro-instrumenten
Middels het stimuleren van ruimtelijke kwaliteit en door het inzetten van onze kennis en expertise ondersteunen wij gemeenten. Daarnaast is de mogelijkheid in beeld om 'te beschermen door te ontwikkelen'. Dit veronderstelt een meer programmatische aanpak gericht op ontwikkeling van geselecteerde archeologische waarden. Voor de Hollandse Waterlinie is hier reeds sprake van. Voor het overige hoort ook dit thuis in het nieuw op te stellen afwegingskader ten aanzien van cultuurhistorie.
4.7 Ruimtelijk beleid voor natuur in Gelderland
Wij werken onder de beleidsvlaggen van EHS en Natura 2000 aan de bescherming, uitbreiding en verbetering van natuur in onze provincie. De doelen en middelen van de programma's sluiten op elkaar aan. Bij de inzet van instrumenten in het kader van de nieuwe Wro wordt daarmee rekening gehouden.
4.7.1 Ecologische hoofdstructuur (EHS)
We streven naar
Het duurzaam veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur, wat bijdraagt aan een prettige leef- en werkomgeving voor de Gelderse burger.
Dat doen we door
- het realiseren van een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurge- bieden, natuurrijke cultuurlandschappen en verbindingszones (de EHS) door bescherming, instandhouding en ontwikkeling;
- beschermen van de kwaliteiten en kwantiteit van natuurterreinen.
Aanpak 2008-2009
Middels het programma Vitaal Gelderland wordt actief gewerkt aan het realiseren van de EHS: realiseren van poorten en robuuste verbindingen, verwerving en inrichting nieuwe natuur, aanpak verdroging en milieuherstel in TOP-lijstgebieden, particulier en agrarisch natuurbeheer, soortbeschermingsplannen en -projecten. Ook in enkele andere gebieden wordt aan realisatie van de EHS gewerkt, bijvoorbeeld in de NURG-projecten (natuurontwikkeling rivierengebied).
Binnen de ecologische hoofdstructuur geldt de 'nee-tenzij'-benadering. Dit houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Waar passende ontwikkelingen in de EHS plaatsvinden is compensatie vereist, waaronder handhaving van oppervlakte bos en natuurterrein.
In het streekplan zijn beleidscategorieën benoemd waarmee voor specifieke onderdelen van de EHS afwijkende eisen of mogelijkheden gelden. Dit zijn EHS Natuur, EHS Verweving en de ecologische verbindingszones. Op dit moment is een streekplanherziening in voorbereiding, gericht op herbegrenzing van de EHS. De beleidscategorieën veranderen niet (naar verwachting). De toepassing van Wro-instrumenten zoals deze hier is beschreven, geldt voor het gebied dat is aangewezen als EHS.
Inzet van Wro-instrumenten
Gezien het belang dat we aan de EHS toekennen (essentiële beleidsuitspraak in het streekplan) willen we de bescherming en ontwikkeling van de EHS actief oppakken onder de nieuwe Wro.
Ontwikkeling
Voor de ontwikkeling van de EHS is van belang dat gebieden binnen de EHS (ook) de gewenste natuurbestemming hebben. Hiervoor wordt een verordening opgesteld. Door het vastleggen van die gewenste (dubbel)bestemming natuur is de opzet dat elk initiatief gericht op natuurontwikkeling niet belemmerd wordt door de huidige, mogelijk afwijkende bestemming. Andersom worden huidige bestemmingen die in stand blijven niet gedwongen om te veranderen in de gewenste natuurbestemming. Daarnaast zetten we inpassingsplannen in daar waar dit helpt de gewenste resultaten te realiseren.
Bescherming
Er wordt een verordening opgesteld om te zorgen dat nieuwe bestemmingen in de EHS op de juiste wijze vastgelegd worden en recht doen aan de kernkwaliteiten en de 'nee, tenzij'-benadering. Deze verordening is van toepassing op bestemmingswijzigingen binnen de EHS.
Het provinciaal beleid voor de EHS zal vertaald worden in één verordening waarin zowel de ontwikkeling als de bescherming geregeld wordt en waarbij expliciet aandacht wordt geschonken aan de verschillende beleidscategorieën (EHS Natuur, EHS Verweving en ecologische verbindingszones), zoals vastgelegd in het streekplan.
4.7.2 Natura 2000
Wij streven naar
Behoud en ontwikkeling van de habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn aangewezen.
Dat doen we door
Realiseren van Natura 2000-doelen waarin is aangegeven voor welke habitattypen en leefgebieden van soorten behoud dan wel verbetering van kwaliteit of vergroting van oppervlakte dient te worden nagestreefd.
In het kader van de Natuurbeschermingwet (Nb-wet) zijn wij de bevoegde instantie voor vergunningverlening bij activiteiten die mogelijk schadelijk zijn, voor handhaving en voor het opstellen van beheerplannen waarin de Natura 2000-doelen zijn uitgewerkt.
Aanpak 2008-2009
Wij stellen beheersplannen op waarin de Natura 2000-doelen zijn uitgewerkt. Hieraan toetsen wij de aanvragen voor vergunningen in het kader van de Nb-wet.
Indien een vergunning op basis van de Nb-wet niet verleend kan worden, moet de provincie op basis van de wet ook tegen het bestemmingsplan een zienswijze indienen en vervolgens de gemeente een reactieve aanwijzing geven.
Het spoor van de vergunning hoeft niet als eerste te zijn doorlopen. Het komt ook voor dat bijvoorbeeld gemeenten een bestemmingsplan vaststellen dat effecten heeft op Natura 2000 zonder dat vergunning is aangevraagd. In dat geval dient de provincie ook via zienswijze te reageren indien negatieve effecten niet zijn uit te sluiten.
4.7.3 (Robuuste) ecologische verbindingszones
De planologische bescherming en reservering van de zoekgebieden voor robuuste ecologische verbindingszones zal gelijktijdig met de herbegrenzing van de EHS in een streekplanherziening worden vastgelegd. Tot inwerkingtreding zetten we waar nodig de reactieve aanwijzing in.
4.7.4 Waterafhankelijke natuur
We streven naar
Bescherming van de natte natuur. Natte natuur betreft enerzijds ecosystemen die afhankelijk zijn van veranderingen in de grondwatersituatie en oppervlaktewaterpeilen, anderzijds wateren van het hoogste ecologische niveau (HEN-wateren).
Dat doen we door
Voor de bescherming van de natte natuurwaarden zijn in het streekplan hydrologische beschermingsgebieden aangewezen voor waterafhankelijke landnatuur en beschermingszones in verband met de waterkwaliteit langs de HEN-wateren. Voor de natte delen van de EHS geldt het 'nee, tenzij'-beleid. Voor de HEN-wateren geldt dat ruimtelijke ingrepen/ontwikkelingen niet mogen leiden tot verlaging van de grondwaterstand in en om de natte natuur of (bij wateren) tot verslechtering van de waterkwaliteit en aantasting van de morfologie van de beken en waterlopen.
Aanpak 2008-2009
Er is gebleken dat de verankering van de natte natuur, inclusief de beschermingszones, in veel plannen niet op 1 januari 2008 is geregeld (zoals was afgesproken in het kader van het streekplan). Derhalve is actief ingrijpen middels een verordening noodzakelijk.
Inzet van Wro-instrumenten
Voor de waterafhankelijke natuur zoals vastgelegd in het streekplan (themakaart 18) wordt een verordening opgesteld die de gewenste bescherming regelt.
4.7.5 Natuur buiten de EHS
Buiten de EHS komen verspreid natuurwaarden voor. Het is aan gemeenten om hiervoor op passende wijze regelingen in hun bestemmingsplannen op te (blijven) nemen. Gelderland neemt een bijzondere verantwoordelijkheid voor een aantal weidevogel- en ganzengebieden buiten de EHS die van provinciaal belang worden geacht.
Deze zijn aangegeven op de Beschermingskaart in het streekplan. Deze gebieden worden beschermd tegen doorsnijding, aantasting van rust en openheid, verlaging van het waterpeil en verstoring. We zetten in op planbegeleiding met in uiterste gevallen inzet van een reactieve aanwijzing.
4.7.6 Bos
Wij streven naar
Behoud, bescherming en kwalitatieve verbetering van bestaand bos en uitbreiding van het bosareaal voor zowel natuur, recreatie als houtproductie.
Dat doen we door
Het zo veel mogelijk voorkomen en anders compenseren van aantasting van bos en natuur. Aantasting van oppervlak en kwaliteit van natuur en bos is niet acceptabel. Natuur en bos kunnen alleen plaatsmaken voor ander ruimtegebruik als er voor de specifieke locatiegebonden ontwikkeling geen alternatieve locaties aanwezig zijn.
Onttrekking dient altijd aansluitend aan een natuur- of boskern te worden gecompenseerd binnen dezelfde of aangrenzende gemeenten. Dit beleid is verwoord in de richtlijn Natuur- en boscompensatie. Daarnaast zijn de grotere bossen opgenomen in het groenblauwe raamwerk en worden dus ook beschermd middels het daarvoor geldende regime.
Aanpak 2008-2009
Gemeenten dienen bij de vaststelling van een ruimtelijk plan met natuur- of bosverlies gelijktijdig de natuur- en boscompensatie te hebben geregeld, conform de richtlijn.
Inzet van Wro-instrumenten
De richtlijn natuur- en boscompensatie wordt opgenomen in een verordening voor het groenblauwe raamwerk en de waardevolle landschappen. Daarbuiten is het aan gemeenten om zorgvuldig met het bosareaal om te gaan. Daar zet de provincie in beginsel geen instrumenten in.
4.8 Landgoederen
We streven naar
Duurzame instandhouding en ontwikkeling van landgoederen, integraal afgestemd op de bredere gebiedsdoelen van de omgeving, zoals verwoord onder waardevolle landschappen en cultuurhistorie. Dit betekent doorgaans maatwerk.
Daarnaast kunnen door de ontwikkeling van landgoederen andere gebiedsdoelen gerealiseerd worden (zie landschap). Het stichten van nieuwe landgoederen is geen doel op zichzelf, maar een middel om versneld natuurdoelen in te realiseren, zowel binnen het groenblauwe raamwerk als in het multifunctioneel gebied. Aandachtspunt hierbij is dat het daadwerkelijk echte landgoederen betreft en dat de ontwikkeling zich goed verdraagt met de omgeving.
Inzet van Wro-instrumenten
Het beleid ten aanzien van bestaande landgoederen wordt zoveel mogelijk door maatwerk en het meeliften met gebiedsprocessen gerealiseerd. Er is geen aanleiding om hiertoe het Wro-instrumentarium hiertoe in te zetten. Een evaluatie van het provinciaal beleid voor bestaande landgoederen kan het inzicht geven of inzet van Wro-instrumenten in de toekomst gewenst is.
4.9 Land- en tuinbouw
Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is dat de bedrijfsontwikkeling in de landbouw wordt gefaciliteerd onder voorwaarden van economische en ecologische duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.
4.9.1 Landbouwgerelateerde ontwikkelingen
In het huidige streekplan zijn expliciet enkele ontwikkelingen benoemd waar in de bestemmingsplantoetsing aandacht aan wordt geschonken. Omdat het hier niet gaat om zaken die op zichzelf van provinciaal belang zijn, wordt voorgesteld hier geen specifieke inzet van instrumenten op te richten.
Tweede bedrijfswoning
Het kan vanuit bedrijfsmatig oogpunt gewenst zijn om bij een agrarisch bedrijf een tweede bedrijfswoning te realiseren. Dit wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria: aard, omvang en continuïteit van het bedrijf. De 2e bedrijfswoning moet nodig zijn voor controle en toezicht buiten normale werkuren en op niet te voorziene tijdstippen.
Kavelruil
Voor een duurzame bedrijfsvoering kan het nodig zijn om de verkaveling aan te passen. Kavelruil is hierbij een goed middel. Wanneer er voor verbetering van de verkaveling ingrepen nodig zijn, zoals het verplaatsen van houtsingels of sloten, dan is het gewenst dat er in lijn van de ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie wordt bijgedragen aan het bereiken van samenhang van het landschap, zoals een logischer ecologische dooradering of een kortsluiting in een wandelnetwerk.
Neveninkomsten
Neveninkomsten uit andere bron dan voedselproductie kunnen voor een deel van de grondgebonden landbouwbedrijven belangrijk zijn voor vergroting van hun economische levensvatbaarheid. Bijkomend maatschappelijk voordeel is dat de met de grondgebonden takken samenhangende landschappen onderhouden kunnen worden. De provincie wil daarom ook niet-agrarische activiteiten ruimte bieden.
Teeltondersteunende voorzieningen
De aanvaardbaarheid van teeltondersteunende voorzieningen, zoals boogkassen, hangt af van de aard en verschijningsvorm in relatie tot de benoemde kwaliteit van het gebied.
Inzet van Wro-instrumenten
Geen inzet van Wro-instrumenten. Voor deze vier thema's geldt dat het ontwikkelingen zijn waar via de kwaliteit van het landschap en het verstedelijkingsbeleid op wordt gestuurd. Dat is immers waar het provinciaal belang ligt. Voor de neveninkomsten geldt overigens dat dit onderdeel uitmaakt van de regionale regelingen voor functieverandering.
4.9.2 Glastuinbouw
We streven naar
Voldoende ruimte voor ontwikkeling van de glastuinbouw in duurzaam ingerichte en landschappelijk goed ingepaste glastuinbouwgebieden.
Dat doen we door
Concentratie van glastuinbouw. De belangrijkste redenen hiervoor zijn dat kassen een zeer grote landschappelijke en ruimtelijke impact hebben, dat in de concentratiegebieden gezamenlijke milieu-investeringen gedaan kunnen worden en dat de centrumfunctie in de glastuinbouw ook economisch belangrijk is. Ook om deze redenen zijn geïsoleerd gelegen bedrijven niet gewenst. Wel kunnen buiten de concentratiegebieden kleinere clusters van bedrijven voorkomen.
Aanpak 2008-2009
Wij willen ruimte bieden voor bedrijfsontwikkeling binnen concentratiegebieden en clusters door:
- herstructurering van bestaande en inrichting van nieuwe delen van de concentratiegebieden Huissen-Bemmel en Bommelerwaard en clusters;
- verplaatsing en concentratie van glastuinbouw in de Stedendriehoek in relatie tot de verstedelijkingsopgave en het programma Gelderse Grote Rivieren;
- het stimuleren met subsidie van sanering van solitair gelegen bedrijven en verplaatsing naar concentratiegebieden en clusters. Dit wordt ook ondersteund door het beleid voor functieverandering.
Via het ruimtelijk spoor streven we naar voldoende ruimte en een goede landschappelijke inpassing:
- Nieuwvestiging van glastuinbouw is alleen toegestaan in de concentratiegebieden Huis- sen-Bemmel en de Bommelerwaard;
- Hervestiging is alleen onder voorwaarden toegestaan in clusters waarvoor in regionaal verband zoekzones zijn vastgesteld;
- Uitbreiding van bestaande bedrijven boven 20% is niet toegestaan tenzij voldaan wordt aan bedrijfseconomische, financiële en ruimtelijke randvoorwaarden.
Naast de inzet van het Wro-instrumentarium is ons streven naar concentratie goed te ondersteunen door inzet van (Gelders) grondbeleid. Risicobewuste participatie met name is in te zetten voor herstructurering en ontwikkeling. Omdat de marges klein zijn en in deze handelswijze sturing kan worden gegeven aan bedrijfsverplaatsingen naar de concentratiegebieden kan provinciale deelname aan de (her-)ontwikkeling het verschil maken.
Inzet van Wro-instrumenten
Concentratiegebieden en (regionale zoekzones voor) clusters.
In overleg met de gemeenten wordt invulling gegeven aan de herstructureringsopgave binnen de concentratiegebieden en clusters. Elke (permanente) functieverandering in concentratiegebieden anders dan naar glastuinbouw moet worden voorkomen, tenzij deze bijdraagt aan de herstructurering of duurzame nieuwe inrichting. Het zal namelijk zeer kostbaar zijn om ten behoeve van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling nieuwe functies te saneren, omdat de restwaarde hoog zal zijn als er nog beperkt is afgeschreven. Voorkomen is dus veel beter dan genezen. Tegen plannen die binnen deze gebieden de herstructureringsopgave hinderen, geven we indien nodig een reactieve aanwijzing.
Buiten de concentratiegebieden
Gegeven de essentiële beleidsuitspraak in het streekplan zullen wij alle nieuwvestiging tegen- gaan middels het opstellen van een verordening, zowel voor zover bestaande ruimtelijke plannen daar nog ruimte voor geven als voor nieuwe plannen. Ook hervestiging buiten de concentratiegebieden of regionale clusters wordt niet toegestaan. Er is wel beperkt ruimte voor uitbreiding (met maximaal 20%). Een uitzondering kan worden gemaakt indien wordt voldaan aan bedrijfseconomische, financiële en ruimtelijke randvoorwaarden. In de verordening worden hervestiging en uitbreidingsmogelijkheden buiten de concentratiegebieden en clusters meegenomen.
De provincie investeert fors in het proces van uitvoering van de herstructurering van de glastuinbouw in de twee concentratiegebieden Bommelerwaard en Huissen-Bemmel. Als in deze processen aan het licht komt dat inzet van het inpassingsplan beter beantwoordt aan de tijdige realisatie van de doelstellingen, zullen wij dit instrument inzetten.
4.9.3 Intensieve veehouderij
We streven naar
Ruimte voor de intensieve veehouderij, zonder dat daarmee de gewenste milieukwaliteit in gevaar komt (verzuring blijft onder de kritische depositienorm voor de betreffende habitat).
Dat doen we door
Uitvoering van de drie reconstructieplannen in Gelderland: Achterhoek/Liemers, Veluwe en Gelderse Vallei. In het streekplan wordt hiernaar verwezen. Het provinciale beleid onderscheidt zones waarmee de mogelijkheden voor nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijbedrijven worden bepaald. De zonering betreft:
- landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's);
- extensiveringsgebied;
- verwevingsgebied.
Voor elk van deze gebieden gelden andere eisen aan nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van en omschakeling naar intensieve veehouderij.
Om de beweging van de extensiveringsgebieden naar LOG's te stimuleren is de Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderijen opengesteld voor bedrijven die zich willen verplaatsen. In die regeling zijn subsidievoorwaarden opgenomen over het slopen van bedrijfsbebouwing en het inleveren van de milieuvergunning en aanpassing van de bestemmingsplanregeling voor de vertreklocaties in die zin dat daar geen intensieve veehouderij meer mogelijk is. De verkoop van dierrechten en de verplaatsing van intensieve veehouderijbedrijven kan alleen maar succesvol zijn al er in de landbouwontwikkelingsgebieden voldoende groeiruimte wordt geboden.
Aanpak 2008-2009
Het proces van de verplaatsing van agarische bedrijven naar de LOG's ondersteunen wij actief. In het kader van het programma Vitaal Gelderland zijn hiervoor gelden en ambtelijke capaciteit beschikbaar gesteld. Door middel van het gebiedsproces worden in samenwerking met gemeenten de LOG's ontwikkeld.
In de LOG's wordt ruimte geboden voor intensieve veehouderij. Dit zijn de minst kwetsbare locaties, waar duurzame intensieve veehouderijen hun bedrijven met toekomstperspectief voort kunnen zetten. Buiten deze LOG's is nieuwvestiging niet toegestaan.
De intensieve veehouderij gelegen in de extensiveringsgebieden moet krimpen. Het beleid is er op gericht om nieuwvestiging en omschakeling naar intensieve veehouderij tegen te gaan. Uitbreiding van bestaande bedrijven is aan strikte eisen gebonden.
In de verwevingsgebieden is nieuwvestiging eveneens uitgesloten, maar zijn er ruimere mogelijkheden voor hervestiging en uitbreiding binnen randvoorwaarden.
Verder zit onze actieve opstelling meer in de lijn van grondbeleid, financiële risico's, aanvullende facilitering en gebruikmaken van de mogelijkheden van de nieuwe grondexploitatiewet. Het aanbieden van expertise vanuit het expertisecentrum gebiedsontwikkeling is ook een mogelijkheid.
Inzet van Wro-instrumenten
Landbouwontwikkelingsgebieden
Door middel van overleg dragen wij bij aan een door de gemeente op te stellen planologische regeling voor de ontwikkeling van de LOG's.
In die gebieden waarvoor voldoende draagvlak bestaat en indien gemeenten aarzelen met het maken van een bestemmingsplan is inzet van een provinciaal inpassingsplan denkbaar. Mogelijk dat dit in de volgende LOG's aan de orde is: Epe en Apeldoorn (Beemte-Vaassen), Kootwijkerbroek-Lunteren, Azewijn.
Tegen de plannen die de ontwikkeling van een LOG hinderen, zullen wij indien nodig een reactieve aanwijzing geven.
Extensiveringsgebieden
De strikte eisen ten aanzien van intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden worden vertaald naar een provinciale verordening.
Verwevingsgebieden
In de verwevingsgebieden is sprake van enige afwegingsruimte. Voor de toepassing van de afspraken uit de reconstructieplannen en het streekplan wordt planbegeleiding ingezet en in uiterste gevallen een reactieve aanwijzing.
4.10 Ruimtelijk beleid voor stilte
In aansluiting op het Gelders Milieuplan kiest de provincie in het streekplan voor koppeling van het beleid voor stilte aan het beleid voor de natuur. Concreet zijn er acht stiltegebieden die onder de werking van de Provinciale Milieuverordening zijn gebracht. Voor vijf grote aaneengesloten delen van de EHS geldt een ruimtelijk regime voor stilte gekoppeld aan de bescherming van de EHS. Voor ruimtelijke initiatieven in deze gebieden mag het geluidsniveau niet toenemen en bij voorkeur afnemen (stand still, step forward). Gebiedseigen activiteiten, zoals normale agrarische bedrijfsvoering ondervinden hiervan geen belemmering.
Inzet van Wro-instrumenten
In goed overleg met de betrokken gemeenten begeleiden we de planvorming binnen de aangewezen gebieden ter voorkoming van onwenselijke aantasting van stilte. In uiterste gevallen is inzet van een reactieve aanwijzing denkbaar.
4.11 Landschap
4.11.1 Landschap algemeen
We streven naar
- het instandhouden van de variantie aan Gelderse landschappen;
- het verbeteren van de kwaliteit en toegankelijkheid van het landschap.
Dat doen we door
Bij de uitvoering van het landschapsbeleid het planologische spoor te combineren met de 'doe' lijn van stimulering en fysieke uitvoering. Met de vaststelling van het boek 'landschapsontwikkeling', een operationalisering van het landschapbeleid in het streekplan, hebben we voor de uitvoering van het landschapsbeleid ingezet op:
- bescherming via de Wro (kwaliteit houden);
- stimuleren en faciliteren voor 'ontwikkelen met kwaliteit' van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (kwaliteit maken);
- stimuleren en faciliteren van opstelling en uitvoering van landschapsontwikkelingsplannen en van landschapsbeheer (via Vitaal Gelderland);
- kennismanagement, communicatie.
4.11.2 Waardevolle open gebieden
We streven naar
Het behouden van de openheid van karakteristieke open landschapseenheden (waardevolle open gebieden).
Dat doen we door
In te zetten op een 'nee' voor ruimtelijke ingrepen die de openheid aantasten en een 'nee, tenzij' voor ruimtelijke ingrepen die niet de openheid aantasten maar eventueel wel andere kernkwaliteiten. Uitbreiding van agrarische bebouwing binnen of aansluitend op het bestaande bouwperceel is mogelijk; gaat het om een omvangrijke uitbreiding dan is een beeldkwaliteitsplan vereist.
Aanpak 2008-2009
De waardevolle open gebieden zijn van provinciaal belang en maken deel uit van het groenblauwe raamwerk. De primaire verantwoordelijkheid van de open gebieden ligt bij de provincie.
Inzet van Wro-instrumenten
De waardevolle open gebieden zijn de grootste open gebieden in de provincie Gelderland. Openheid is een kwetsbare kernkwaliteit, want ook kleine ingrepen kunnen de openheid al aantasten. Vandaar dat de verordening het meest passende instrument is. Dit sluit aan bij de prioriteit die de minister van VROM in haar programma 'Mooi Nederland' geeft aan de openheid van het landschap. Deze gebieden zijn concreet begrensd en we weten concreet wat wel en niet kan.
4.11.3 Waardevolle landschappen
We streven naar
Het versterken van de samenhang in waardevolle landschappen en het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten.
Dat doen we door
Hier geldt een “ja, mits-benadering” voor het toevoegen van nieuwe bouwlocaties en andere ruimtelijke ingrepen. Grootschalige verstedelijking past niet. Een landschapsontwerp speelt een belangrijke rol om de bijdrage van de ruimtelijke ontwikkelingen aan het behouden en versterken van de kernkwaliteiten te kunnen bepalen, zowel op locatieniveau als inrichtingsniveau.
Waar waardevolle landschappen samenvallen met de EHS is een aantasting van de kernkwaliteiten niet mogelijk, tenzij er sprake is van groot maatschappelijk belang en er geen alternatieven zijn (nee, tenzij). Wij vragen van gemeenten een beeldkwaliteitsplan in het ruimtelijke plan bij aanzienlijke uitbreiding van bebouwing of infrastructuur, doorwerkend in de voorschriften.
Voor een selectie van kleinere karakteristieke open gebieden (zoals essen en kommen) verwachten we van de gemeenten bijzondere verantwoordelijkheid ter handhaving van het open karakter.
Aanpak 2008-2009
- Bijhouden van de bescherming via bestemmingsplannen, daarmee kan een vinger aan de pols worden gehouden voor enerzijds het beschermen van landschapsensembles en kernkwaliteiten, anderzijds op het maken van gemotiveerde keuzes ten aanzien van landschap.
- Via intensieve planbegeleiding de ontwerpende benadering bevorderen.
- Inbrengen van kennis.
De waardevolle landschappen zijn gebieden met (inter)nationaal en provinciaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten van visuele, aardkundige en/of cultuurhistorische aard, en in relatie daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Deze in het streekplan begrensde landschappen zijn van provinciaal belang.
De streekplanuitwerking 'kernkwaliteiten van waardevolle landschappen' geeft een inzet op intensieve planbegeleiding aan en het actief inbrengen van kennis aan gemeenten en anderen. Dit krijgt, en kan meer, invulling krijgen vanuit het programma ruimtelijke kwaliteit.
Een deel van de kernkwaliteiten, zoals bijvoorbeeld openheid, verkavelingstructuur, microreliëf en bepaalde aardkundige waarden, is kwetsbaar voor een ingreep. Deze kernkwaliteiten kunnen makkelijk onomkeerbaar worden aangetast. Voor andere kernkwaliteiten daarentegen is een landschapsontwerp een prima middel om een bij de kernkwaliteiten passende locatiekeuze en inrichting te vinden.
Inzet van Wro-instrumenten
In aansluiting op het programma ruimtelijke kwaliteit zetten we in op planbegeleiding. Daarmee doen we recht aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor kwaliteit van provincie en gemeenten en aan alle situaties waarin een ontwerpende benadering passend is. In uiterste gevallen waar de bescherming van de kwetsbare kernkwaliteiten van het landschap in het geding is, is inzet van een reactieve aanwijzing denkbaar.
4.11.4 Landschap overig
We streven naar
- ontwikkeling van gebruiksfuncties die bijdragen aan de verbetering van de landschappelijke samenhang (ontwikkelen met kwaliteit);
- voorkomen van het dichtslibben ('verstenen') van groene wiggen rondom de Veluwe;
- het uitvoeren van de uitvoeringsprogramma's van de Nationale Landschappen.
Dat doen we door
- Kwaliteit maken: het stimuleren en faciliteren van 'ontwikkelen met kwaliteit' voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
- Via het programma Vitaal Gelderland het opstellen van landschapsontwikkelingsplannen en landschapsbeheer stimuleren en projecten in de nationale landschappen subsidiëren.
- Bijzondere provinciale verantwoordelijk nemen voor het ontwikkelen met kwaliteit in de landbouwontwikkelingsgebieden, de glastuinbouwgebieden, de groene wiggen en de projecten van Groen in en om de stad (streekplan paragraaf 2.12.2).
- Een beleid van 'ja, mits' voor nieuwe bouwlocaties in de groene wiggen als deze passen in zoekzones landschappelijke versterking en bijdragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
- Gemeenten te vragen ontwikkelingsvisies voor de groene wiggen op te stellen en deze planologisch te verankeren.
Aanpak 2008-2009
Stimulering van de uitvoering van landschapsontwikkelingsplannen, landschapsbeheer en groene diensten blijft lopen via de verschillende subsidiemogelijkheden (onder andere erfbeplanting, landschapsbeheer) van Vitaal Gelderland. Dit geldt ook voor de uitvoeringsprogramma's van de Nationale Landschappen.
Het stimuleren en faciliteren van het ontwikkelen van landschappelijke kwaliteit en kennismanagement en communicatie daaromheen kunnen verder opgepakt worden in het kader van het programma ruimtelijke kwaliteit.
Actief wordt kennis en expertise ingezet om gemeenten, waterschappen en andere initiatiefnemers te ondersteunen om te komen tot goede plannen, waarin aandacht is voor aansluiting op en versterking van het landschap.
De groene wiggen komen deels via het programma Vitaal Gelderland tot ontwikkeling als onderdeel van de ecologische poorten rond de Veluwe.
Inzet van Wro-instrumenten
In het algemeen is voor het houden van en het maken van landschappelijke kwaliteit een combinatie van een gerichte ondersteuning met subsidie en de inzet van kennis en expertise een voldoende basis. Van belang is te zorgen dat landschap zo vroeg mogelijk in het planproces wordt meegenomen, bij locatiekeuze en bij daadwerkelijke inrichting.
De planologische bescherming van de kernkwaliteiten van de nationale landschappen valt samen met de bescherming van de waardevolle landschappen en vraagt geen aparte aandacht.
Voor de groene wiggen die niet samenvallen met één van de ecologische poorten hanteren we een reactieve aanpak gericht op bescherming tegen nieuwe bouwlocaties. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenten om de Veluwe om een volledige omsingeling of verstening van de Veluwe tegen te gaan. Iedere ontwikkeling op zich zorgt niet voor een omsingeling maar de optelsom van het totaal kan daar wel toe leiden. Vanwege dit gemeentegrensoverstijgende aspect ligt het voor de hand om de reactieve aanwijzing als stok achter de deur te houden. De insteek is dat de gemeente zorgdraagt voor kwaliteit, al dan niet met hulp van de provincie.
Op dit moment zijn weinig gemeenten aan de slag met de groene wiggen. Via periodieke overleggen met gemeenten blijven we de ontwikkelingen in de groene wiggen volgen. We kunnen dan ingrijpen als er niets wordt gedaan en voorkomen dat er ontwikkelingen plaatsvinden die de ontwikkeling van groene wiggen in de weg staan. Zonodig stimuleert de provincie tot intergemeentelijke afstemming. Ingestoken wordt in ieder geval op een ontwikkelingsgerichte benadering.
Het maken van een inpassingsplan kan dan, binnen de ecologische poorten, het sluitstuk zijn op een gebiedsproces.
4.12 Recreatie & Toerisme
We streven naar
Een kwalitatief hoogwaardig toeristisch-recreatief product dat naar draagkracht van natuur en landschap, en in aansluiting op de regionale gebiedskenmerken, een duurzame groei kan doormaken.
Dat doen we door
- In te spelen op de kansen die wij zien voor de ontwikkeling van extensieve recreatievormen.
- Voor wat betreft de intensieve dag- en verblijfsrecreatie staan wij voor optimalisatie en kwaliteitsverbetering van de bestaande bedrijven.
- Specifiek voor de Veluwe bieden we door 'Groei en Krimp' ontwikkelingskansen voor recreatieterreinen zodanig dat de natuur er minimaal niet op achteruit gaat (stand still, step forward).
- Bovendien stellen we specifieke voorwaarden aan (nieuwe) recreatiewoningen op het gebied van maatvoering, bedrijfsmatige exploitatie, regionale restcapaciteiten (niet benutte vigerende bouwmogelijkheden voor recreatiewoningen) en het verbod op permanente bewoning.
Aanpak 2008-2009
- We zetten in op kansen voor extensieve recreatie via onder meer functieverandering, onze aanpak van groen in en om de stad en het programma Vitaal Gelderland.
- Voor de intensieve recreatie is onze aanpak gericht op het adequaat bestemmen van bestaande bedrijven, en waar mogelijk het waarborgen van de bedrijfsmatige exploitatie. De behoefte aan meer luxe accommodatievormen willen wij waar mogelijk faciliteren. Dit vraagt om een selectieve regionale beleidsinsteek. Wij houden vast aan het feit dat uit het oogpunt van schaarste aan deze luxe accommodatievormen deze door zoveel mogelijk mensen gebruikt moeten kunnen worden.
- Permanente bewoning blijft voor ons een ongewenst fenomeen. Het adequaat bestemmen en de handhaving ervan blijven een punt van zorg. Momenteel onderzoeken wij de problemen omtrent handhaving en beraden wij ons op te nemen stappen hierin.
- Met de 'Groei- en Krimp' aanpak hanteren we een ontwikkelingsgerichte aanpak voor verblijfsrecreatie en natuur op het Veluwemassief. In het reconstructieplan en de streekplan-(uitwerking) 'Groei en Krimp' zijn groei- en krimpgebieden aangewezen. In de krimpgebieden wordt actie ondernomen om bedrijven te saneren. Voor de groeigebieden stellen gemeenten ontwikkelingsvisies op. Indien er voldoende krimp aanwezig is wordt een groeitender uitgeschreven. Vervolgens kunnen bedrijven groeiplannen indienen. Op basis van de betreffende ontwikkelingsvisie beoordeelt de gemeente of een groeiplan verder uitgewerkt kan worden in een definitief groeiplan. Dan volgt een (provinciale) beoordelingsprocedure met betrekking tot de kwaliteit van de groeiplannen en een natuurtoets voor de groei binnen de tranche. Op basis daarvan adviseren Gedeputeerde Staten voor welke plannen een bestemmingsplanprocedure kan worden opgestart. Die procedure is primair een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De provincie beveelt daarbij aan om de groeiplannen zoveel mogelijk uniform en gelijktijdig in te dienen. Het is dringend gewenst om de planologische regeling van de krimp gelijk op te laten lopen met die van de groei;
- Voor bedrijven die binnen het krimpgebied liggen zien wij kansen voor optimalisatie door middel van herstructurering binnen de bestaande grenzen. In het krimpgebied (Veluwemassief) zijn ontwikkelingen gericht op omzetting naar recreatiewoningen uitgesloten.
Inzet van Wro-instrumenten
Met planbegeleiding (in regionaal verband) wordt aandacht besteed aan het instandhouden en ontwikkelen, bijvoorbeeld via functieverandering, van een goed functionerend netwerk van recreatieve voorzieningen en bescherming van recreatieve routes tegen ruimtelijke ingrepen.
Wij zetten geen specifieke instrumenten in voor de intensieve verblijfsrecreatie. Voor het tegengaan van permanente bewoning en het waarborgen van bedrijfsmatige exploitatie van recreatieterreinen wachten we eerst de uitkomsten af van de lopende inventarisatie. Op basis daarvan zal bekeken worden of en zo ja welke inzet van Wro-instrumenten helpt om de gewenste koers in te slaan.
Voor het slagen van 'Groei- en Krimp' zijn modelplanvoorschriften opgesteld ten behoeve van uniforme (bestemmings)plannen. Om de totale gemeentegrensoverschrijdende aanpak te laten slagen is de inzet van de een pro-actieve aanwijzing of inpassingsplan denkbaar, met name waar dit helpt om de balans tussen groei krimp te waarborgen.
De provincie zal de reactieve aanwijzing inzetten indien er buiten de groeiclusters uitbreidingsruimte wordt geboden aan recreatieterreinen omdat dit de doelmatigheid van de groei- en krimpaanpak ondermijnt.
Nu de Wet op de Openluchtrecreatie is weggevallen hechten wij eraan dat de gemeenten mogelijkheden voor extensieve toeristische (verblijfs)voorzieningen gezoneerd en gequoteerd opnemen in hun bestemmingsplannen.
4.13 Defensie
Het beleid in het streekplan vraagt niet om een vertaling naar Wro-instrumenten. De aanpak is gericht op een goede herbestemming van militaire terreinen en complexen. Hier zal waar het zich voordoet een actieve benadering op maat worden gekozen.
4.14 Duurzame energievoorziening
We streven naar
Bijdragen aan de (inter)nationale doelstellingen voor duurzame energie en verbetering van de energie-efficiëntie en daarmee aan de vermindering van uitstoot van het broeikasgas CO2. Het groeitempo van duurzame energieproductie binnen Gelderland moet omhoog. Voor de kortere termijn streven we naar minimaal 16,5 petajoule (vermeden primaire energie uit fossiele bronnen) in 2010 (5,5% à 6% van het totale energieverbruik). Op de middellange termijn is een doorgroei naar 10% in 2015 en 20% in 2020 wenselijk om een duurzame energiehuishouding binnen bereik te houden.
Dat doen we door
Het bevorderen van de energieproductie uit duurzame bronnen door transparante en gunstige randvoorwaarden te creëren en initiatieven te faciliteren. Bijzondere aandacht gaat uit naar duurzame opties waarvan realisatie mede afhangt van proactieve inzet van provinciale wettelijke taken en bevoegdheden: windenergie, (decentrale energieproductie uit) biomassa en koude-/warmteopslag in de bodem.
Daarnaast zijn energietransities nodig: systeeminnovaties in de energieproductie, -distributie en energievragende functies. Dit vraagt om een grondige evaluatie van bestaande beleidskaders, wet- en regelgeving op belemmerende factoren en mogelijk om nieuw sturingsinstrumentarium. Thema's waarop wij ons zullen richten bij het ondersteunen van coalities en praktijkexperimenten zijn: biobased economy (optimale benutting biomassa), gebouwde omgeving en duurzame mobiliteit.
Aanpak 2008-2009
In de eerste helft van 2008 stellen wij een Integraal Programma Klimaat vast waarin onze inzet op energie en vermindering van uitstoot van CO2 nader is uitgewerkt langs de sporen intensivering energiebeleid en energietransitie.
Energieproductie uit biomassa en door locatiegerichte koude-/warmteopslag zijn momenteel volop in ontwikkeling. De komende periode moet duidelijk worden of hiervoor provinciaal ruimtelijk instrumentarium nodig is. Dit geldt ook voor energietransitie.
Voor windenergie wordt gewerkt met een planningsruimte van minimaal 140 MW, verdeeld over de zes Gelderse WGR-regio's om de doelstelling van 100 MW te realiseren. Deze overmaat aan regionale voorkeurslocaties is nodig om onverwachte tegenvallers bij de bestemming van locaties te kunnen opvangen. Met de regionale voorkeurslocaties, die beleidsmatig door gemeenten akkoord zijn bevonden, is de vereiste planningsruimte aanwezig. Grootste knelpunt is het gebrek aan voortvarendheid waarmee locaties daadwerkelijk in procedure worden gebracht. Het streven is dat gemeenten voor de (resterende) benodigde locaties uiterlijk op 1 juli 2008 een aanvang maken met de planologische procedure of daartoe een voorbereidingsbesluit nemen. De kaders voor planologische regeling van voldoende locaties voor minimaal 100 MW windenergie zijn in het streekplan vastgelegd in zoekzones voor windenergie.
Een herbezinning op het in Gelderland plaatsbare vermogen (voorbij de 100 MW) vindt plaats in het kader van het Integraal Programma Klimaat zodra de bredere nationale context voor doorgroei van windenergie op land helder is.
Randvoorwaarde voor onze aanpak is en blijft dat de rijksoverheid zorgdraagt voor adequate financiële kaders zolang windenergie op de elektriciteitsmarkt nog niet concurrerend is met fossiel.
Inzet van Wro-instrumenten
Zolang definitieve planologische regeling van voldoende locaties niet is gewaarborgd, zullen wij de zoekzones vrijhouden voor windenergie (geen ontwikkeling van strijdige functies) zonodig door inzet van de reactieve aanwijzing.
Het aanpassen van bestemmingsplannen voor specifieke locaties is in beginsel de verantwoordelijkheid van de individuele gemeenten. Betreffende gemeenten worden zonodig ondersteund door inzet van expertise en eventueel cofinanciering van plankosten. Als dit, gelet op de lange aanloopperiode op 1 juli 2008, nog niet tot procedures op alle benodigde locaties heeft geleid, gaat de voorkeur uit naar actief optreden van de provincie.
Het betreft dan regionale voorkeurslocaties, waarmee de betreffende gemeenten beleidsmatig akkoord zijn, en waar initiatiefnemers met grondpositie een project willen realiseren.
Gelet op de actuele voortgang en de pijplijnprojecten is het opstellen van een inpassingsplan door de provincie mogelijk aan de orde voor: Oude IJsselstreek/Montferland, Neerijnen/Gelder-malsen/Tiel en Beuningen.
4.15 Baggerspecie
Wij streven naar
Voldoende ruimte voor bagger met duurzaam gebruik van de bodem.
Dat doen we door
- zo hoogwaardig mogelijke verwerking van de vrijkomende bagger;
- stimuleren van hergebruik/verwerking van bagger.
Aanpak 2008-2009
Vaststellen en uitvoeren van het programma bagger. Dit houdt in dat wij samenwerken met andere overheden, projecten stimuleren, uitvoering geven aan beleid en bagger meekoppelen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om:
- initiatieven voor tussendepots, o.a. voor zandafscheiding;
- initiatieven voor grootschalige depots voor bagger en uiterwaarden grond waar combinatiemogelijkheden met natuurontwikkeling aanwezig zijn en initiatieven voor de verwerking in terpen en waterkeringen;
- initiatieven waarbij werk met werk wordt gemaakt, bijvoorbeeld waarbij oude stortplaatsten worden afgedekt met baggerspecie en (uiterwaarden)grond, of projecten waarbij bagger als onderdeel van het gebiedsproject wordt hergebruikt of verwerkt;
- de ontwikkelings- en uitvoeringskosten liggen in principe bij de ondernemer.
Inzet van Wro-instrumenten
Middels overleg, planbegeleiding en subsidie zullen wij uitvoering geven aan dit beleid met de focus op de marktwerking.
4.16 Bouwgrondstoffen
Wij streven naar
Winning van bouwgrondstoffen die een bijdrage en meerwaarde levert aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en aan gewenste gemeentelijke of provinciale maatschappelijke doelen in dat gebied.
Dat doen we door
Kwaliteit
Bij de winning van primaire bouwgrondstoffen moet een koppeling plaatsvinden met de realisatie van gewenste functies (water- en baggerberging, wonen, recreatie, natuurontwikkeling, aanleg van vaargeulen en bedrijventerreinen) en moet ruimtelijke meerwaarde worden geboden.
Bij de uiterwaarden dient de winning gekoppeld te worden met rivierverruiming en/of natuurontwikkeling.
Taakstelling
De provincies hebben gezamenlijk ruim voldaan aan de door het Rijk gestelde taakstelling van 143 miljoen ton beton- en metselzand. Na 2008 houdt dit taakstellende beleid op. Ontgrondingslocaties dienen tot stand te komen via marktwerking. Op grond van de Nota Ruimte is, gezien de behoefte en het belang van een goede overgang naar meer marktwerking, de zandwinlocatie H1 (Beuningen) overgenomen uit het Streekplan 1996 en wordt “Over de Maas” (West Maas en Waal) ruimtelijk mogelijk gemaakt.
Aanpak 2008-2009
Kwaliteit
Om de kwaliteitsdoelen te realiseren heeft de provincie twee sporen.
1 Er is een kwaliteitteam ingesteld die beoordeelt of ontgrondingsprojecten ruimtelijke meerwaarde hebben. In een vroeg stadium overlegt zij met en adviseert zij aan ontwikkelaars en gemeenten over de ruimtelijke meerwaarde met betrekking tot de inrichting van het plangebied. Het advies van het kwaliteitsteam wordt meegenomen in de ontgrondingsvergunning, zodat ook de ruimtelijke belangen zijn geborgd.
2 Bij provinciale gebiedsontwikkelingsprojecten wordt bezien of ontgrondingen kunnen dienen als motor voor de realisering van de gewenste provinciale functie(s).
Inzet van Wro-instrumenten
Er is geen behoefte aan aanvullend instrumentarium via de Wro, de koppeling met de ontgrondingsvergunning biedt voldoende waarborg voor het realiseren van kwaliteit. Voorwaarde voor het geven van een vergunning is dat de ruimtelijke kwaliteit vooruit gaat.
4.17 Milieu
Wij streven naar
Uitgangspunt is dat ruimtelijke plannen aan basiskwaliteitsnormen moeten voldoen. Met basiskwaliteit wordt gedoeld op de condities van de ruimte die voor de gezondheid en veiligheid van burgers van belang zijn. In wetten en regelingen is vastgelegd welke voorwaarden of normen er moeten worden gehanteerd om veiligheids- en gezondheidrisico's binnen aanvaardbare grenzen te houden. De meeste ruimtelijk relevante basiskwaliteiten zijn geregeld via milieuwetgeving op Europees en nationaal niveau. Door milieu en veiligheidsaspecten vroegtijdig en gebiedsgericht in de planvorming te betrekken kunnen de basis kwaliteiten effectiever en efficiënter worden meegenomen.
Onder de huidige Wro toetst de provincie de gemeentelijke bestemmingen aan de ruimtelijk relevante milieuwetgeving. Indien een bestemmingsplan niet voldoet aan de normen zoals gesteld in de wet- en regelgeving, is het in strijd met een goede ruimtelijk ordening en moeten Gedeputeerde Staten goedkeuring onthouden. In de nieuwe Wro verandert de rol van de provincie. De goedkeuringsbevoegdheid vervalt en iedere overheidslaag (Rijk, provincie en gemeenten) is zelf verantwoordelijk voor haar eigen plannen. De toezichthoudende rol van de provincie is er niet meer.
Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de plannen voldoen aan de wet- en regelgeving. Zo zal de provincie ook zelf moeten zorgen dat haar inpassingsplannen voldoen aan de basiskwaliteiten.
De toezichthoudende rol vervalt dus. Dit wil niet zeggen dat de provincie geen aandacht meer besteed aan milieuaspecten bij planvorming. Via advisering, informatie verstrekking, subsidies etc. doet de provincie veel aan de verankering van de basiskwaliteiten in ruimtelijke plannen. Alleen het juridisch Wro-instrumentarium kan niet meer worden ingezet, indien een gemeente een plan vaststelt in strijd met wet- en regelgeving. Daar is zij nu zelf verantwoordelijk voor.
Toch zijn er een aantal milieuaspecten die niet geborgd worden door wet- en regelgeving. Deze aspecten van provinciaal belang wil de provincie doorgewerkt hebben in de ruimtelijk plannen. Zij zet hiertoe wel haar ruimtelijk juridisch instrumentarium op in. Daarnaast kan de provincie ten aanzien van de bescherming van een milieuaspect een wettelijk taak hebben. Ook dan kan zij indien nodig het Wro-instrumentarium inzetten.
Voor de hieronder genoemde milieuaspecten is aangegeven welke rol de provincie in het ruimtelijke spoor heeft.
4.17.1 Industriële geur
Wij streven naar
Het terugdringen van ernstige geurhinder.
Dat doen we door
Er mogen geen gevoelige bestemmingen binnen bestaande geurcontouren worden gerealiseerd.
Aanpak 2008-2009
Naast het Gelders geurbeleid voor vergunningverlening en handhaving van inrichtingen adviseren wij gemeenten middels planbegeleiding over plannen binnen geurcontouren conform de interne werkwijze “Geur en RO”.
Voor provinciale bedrijven hebben wij een verantwoordelijkheid om te zorgen dat knelpunten ten aanzien van het geurbeleid worden voorkomen. Aangezien dit niet geborgd wordt door wetgeving zullen wij bij de plannen binnen de geurcontour van de provinciale bedrijven in het uiterste geval een reactieve aanwijzing geven indien deze niet voldoen aan de normen van het Gelders (industriële) geurbeleid.
4.17.2 Industrie en milieu
Wij streven naar
Inrichting en locatiekeuze van nieuwe en bestaande bedrijventerreinen op een zodanige wijze dat de leefomgeving voldoet aan de basiskwaliteit en cumulatie van milieubelasting wordt voorkomen. Bij dit laatste gaat het om terreinen die wel voldoen aan de milieuwetgeving zoals die geldt voor de verschillende milieu-items, zoals geluid, lucht, externe veiligheid, geur, maar de leefbaarheid wordt aangetast doordat burgers door combinatie van bedrijventerreinen en verkeer te maken hebben met meervoudige, maximaal ingevulde milieunormen (cumulatie).
Dat doen we door
- Zorgdragen voor actuele vergunningen op basis van de Wet milieubeheer voor alle provinciale bedrijven op de aspecten lucht, geluid, geur en externe veiligheid.
- Voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties rondom bedrijven middels planbegeleiding;
- Herstructurering van bedrijventerreinen en het stimuleren van duurzaam ondernemen op een bedrijventerrein waarin aspecten zoals energie, afval, water, milieukwaliteit worden uitgewerkt.
Aanpak 2008-2009
- Wij houden de milieuvergunningen actueel. Daarnaast ontwikkelen we in overleg met gemeenten het bedrijfsleven een milieu-informatiesysteem voor (bestaande) bedrijventerreinen waarmee inzicht wordt verkregen in de werkelijke milieubelasting van een terrein;
- Middels overleg met gemeenten omtrent de genoemde milieuaspecten zorgen we ervoor dat nieuwe knelpunten worden voorkomen;
- Wij zullen eerst exact bepalen waar de herstructureringslocaties zijn en wat de opgave zijn. Vervolgens zullen we middels overleg en subsidie uitvoering geven aan ons herstructureringsbeleid. Hierbij zal ook worden bezien of het Wro-instrumentarium zal worden ingezet.
Inzet van Wro-instrumenten
De wetgever zorgt voor de borging van de basiskwaliteit voor gezondheid en veiligheid middels milieuwetgeving. Hier past niet bij om als provincie via juridisch instrumentarium extra eisen te stellen aan cumulatie van milieubelasting. Dit wil niet zeggen dat het voorkomen van cumulatie niet van belang is. Om problemen door cumulatie van milieuhinder te voorkomen zullen wij in het voortraject in overleg treden met gemeenten waar cumulatie dreigt en hen begeleiden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
4.17.3 Externe veiligheid
Externe veiligheid is een complex dossier. De systematiek is dat het Rijk de regelgeving voor zijn rekening neemt en dat de provincies de ruimte hebben voor een provinciaal uitvoeringsprogramma. Het Rijk rekent het tot haar taak een grens te stellen aan de grootte van de veiligheidsrisico's. Dit beleid ligt vast in verschillende besluiten en A.M.v.B.'s.
Dit betreft het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI), het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO-1999) en ten aanzien van de transportrisico's; de Wet Vervoer Gevaarlijke stoffen, de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Circulaire inzake zonering langs hogedruk aardgasleidingen en de Circulaire houdende bekendmaking van beleid ten behoeve van zonering langs transportleidingen van K1-, K2-, en K3-categorie. Tevens is er nieuwe wetgeving in ontwikkeling, te weten een A.M.v.B. Basisnet en een A.M.v.B. Buisleidingen. Het betreft landelijke regelgeving, waarbij private en publieke organisaties gehouden zijn deze toe te passen.
Wij streven naar
Een veilig Gelderland, zonder overschrijding van de norm voor plaatsgebonden risico en een transparante verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied van transport, industrie en/of buisleidingen.
Dat doen we door
Realisatie van het uitvoeringsprogramma externe veiligheid. In ruimtelijke zin is onze inzet gericht op het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een te hoog risico (geen Gelderse inwoners binnen PR 10-6 contouren van industrie en transport), het in acht nemen van een bebouwingsvrije zone rondom risicorelevante buisleidingen (HTL, RTL) en het transparant verantwoorden van het groepsrisico rondom risicovolle transportassen (weg, water, buis en spoor) en inrichtingen.
Aanpak 2008-2009
De provincie werkt actief aan het verbeteren van de veiligheid in Gelderland via het uitvoerings-programma externe veiligheid. Ook via het stelsel van milieuvergunningen worden nieuwe gevaarlijke situaties voorkomen. Om gemeenten te ondersteunen stellen we informatie en kennis beschikbaar: o.a. de Gelderse risicokaart.
De gemeente is primair zelf verantwoordelijk voor de externe veiligheid bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. De provincie draagt mede verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering van de externe veiligheidstaken van alle betrokken partijen. Dat betekent onder meer het stimuleren en het faciliteren van een goede verankering in het ruimtelijk spoor bij gemeenten.
Wij verkennen de mogelijkheden om voor de Waalcorridor een adequate bescherming te organiseren tegen milieurisico's al dan niet met inzet van Wro-instrumenten. De Waal, de A 15 en de Betuwelijn zorgen gezamenlijk voor een zone waarbij externe veiligheid een grote rol speelt. Dit levert een complexe, bovenlokale problematiek op. Daarom ligt hier een actieve rol voor de provincie om er samen met gemeenten voor te zorgen dat plannen worden ontwikkeld waarmee een veilige situatie is gewaarborgd.
Ook rondom buisleidingen voor gevaarlijke stoffen (HTL, RTL) is het realiseren van een adequate bescherming een complex en bovenlokaal probleem en past een actieve rol van de provincie om, samen met de gemeente, te zorgen dat de veiligheid gewaarborgd wordt.
Inzet van Wro-instrumenten
De provincie heeft in kader van externe veiligheid de rol van vergunningverlenende instantie bij provinciale inrichtingen. De wetgever heeft middels regelgeving gezorgd voor de borging van externe veiligheid. Het is daarom niet nodig om als provincie via het (juridisch) Wro-instrumen-tarium in het ruimtelijk spoor extra eisen te stellen of er op toe te zien of gemeenten zich wel aan deze regelgeving houden. Dit wil niet zeggen dat externe veiligheid niet van provinciaal belang is. Om onze doelen ten aanzien van externe veiligheid te bereiken zetten wij in op planbegeleiding, informatievoorziening en advisering. We zetten gevraagd en ongevraagd kennis en expertise in ter ondersteuning van gemeenten om externe veiligheid goed mee te wegen bij alle ruimtelijke plannen waar externe veiligheid een rol speelt.
Daar bovenop werken we, indien nodig actief, aan het waarborgen van acceptabele veiligheidsniveaus rondom met name de Waalcorridor en buisleidingen. Of en zo ja, hoe dit in de toekomst nog inzet van ruimtelijk instrumentarium vraagt, volgt uit de lopende processen.
4.17.4 Luchtkwaliteit
Wij streven naar
Verbetering van de luchtkwaliteit in Gelderland.
Dat doen we door
De programmatische aanpak van projecten ter verbetering van de luchtkwaliteit.
Aanpak 2008-2009
De provincie kan aan de wettelijke eisen voldoen door het opnemen van de 'in betekenende mate projecten' in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Essentieel is dat de in het programma opgenomen maatregelen ook binnen de gestelde termijn worden uitgevoerd. Dit is een gezamenlijk belang en ook verantwoordelijkheid van alle overheden, waarbij de gemeenten in het algemeen projecten uitvoeren.
Het Rijk en aanvullend de provincie, regio's en gemeenten stellen financiële middelen beschikbaar om de uitvoering van de projecten en maatregelen mogelijk te maken. De uitvoering van het programma is met voortvarendheid ter hand genomen, zodat de algemene verwachting is dat de doelen worden gehaald.
Voor nieuwe 'in betekenende mate' projecten zal wel een toets noodzakelijk blijven.
Vanuit de ruimtelijke ordening is er geen specifieke taak op het terrein van luchtkwaliteit. Men zal alleen moeten nagaan in hoeverre een 'in betekenende mate' project in het programma is opgenomen. In het kader van 'decentraal wat kan' is dit een taak van de gemeente. In geval van een provinciaal project is het een provinciale taak.
Inzet van Wro-instrumenten
Binnen de consulentenrol die de planbegeleiders in de ruimtelijke ordening hebben, is het kennis hebben van het luchtkwaliteitdossier wel belangrijk. Ontwerpeisen, zoals in het ontwerpbesluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) moeten in de planbegeleiding worden meegenomen. Hier ligt primair een taak voor gemeenten. De wetgeving voorziet in een zone rond bijvoorbeeld wegen waar beperkingen zijn gesteld aan de uitbreiding en nieuwbouw van gevoelige bestemmingen. In het kader van wat decentraal kan, staat de gemeente aan de lat om deze eisen toe te passen. In het kader van de Wro-agenda wordt er in de consulentenrol meegedacht, maar geen verantwoordelijkheid genomen.
4.17.5 Geluid
Wij streven naar
Geen ernstige geluidgehinderden in Gelderland door geluidshinder van weg, rail en industrie.
Dat doen wij door
Voor de weg wordt op basis van EU regelgeving geïnventariseerd wat de geluidsbelasting is. De verwachting is dat de EU op termijn een norm zal stellen. Er zal dan bezien worden of het Wro-instrumentarium ingezet zal worden. Ten aanzien van rail zijn onze inspanningen middels planbegeleiding gericht op het zo veel mogelijk voorkomen van geluidsproblemen op nieuwe bouwlocaties langs het spoor.
4.17.6 Natuur en recreatie
Wij streven naar
Aantoonbare verbetering van de Ecologische Hoofdstructuur:
- realisering van de gewenste abiotiek in de vogel en Habitatrichtlijngebieden uiterlijk in 2015;
- realisering van de gewenste abiotiek in de gehele EHS uiterlijk in 2027.
Dat doen wij door
Integrale toepassing van de sectorale wetgeving bij onze aanpak van de EHS (zie paragraaf 4.7). Voor het terugdringen van de ammoniakbelasting zijn dat de volgende wetten: WAV, reconstructiewet, Habitatrichtlijn, NB-wet, IPPC-richtlijn en voeren wij effectgerichte maatregelen uit als onderdeel van het uitvoeringsprogramma Natuurherstel.
Aanpak 2008-2009
In het kader van het natuurgebiedsplan en het uitvoeringsprogramma Natuurherstel geven wij subsidie en stimuleren wij de uitvoering van concrete natuurherstelprojecten. Tegelijkertijd brengen we in beeld welke resterende milieuherstelmaatregelen in de toekomst opgepakt moeten worden. Wij stellen medio 2008 een beheersplan op voor de twaalf geselecteerde gebieden, in samenwerking met agrariërs, recreatieondernemers en andere belangenorganisaties.
Daarnaast geven wij uitvoering aan de effectgerichte maatregelen (onderdeel van het Uitvoeringsprogramma 2007-2013) en stimuleren wij de toepassing van de luchtwassers ten behoeve van het terugdringen van de ammoniakbelasting.
4.17.7 Donkerte
Wij streven naar
Verlaging dan wel handhaving van de hemelhelderheid (als maat voor donkerte).
Dat doen wij door
Uitvoering van het GMP-pilotproject “Veluwe donker en stil”. Hiervoor worden subsidies verstrekt en zetten wij communicatiemiddelen in om het draagvlak te creëren en te verbreden. Er is op dit moment geen ruimtelijk beleid voor donkerte. Wij zullen ons ruimtelijk instrumentarium dan ook niet inzetten.
E Beslispunten
Wij verzoeken u te besluiten conform bijgevoegd ontwerpbesluit
Arnhem, 19 februari 2008 - zaaknr. 2005-015790
Gedeputeerde Staten van Gelderland | ||
C.G.A. Cornielje |
- |
Commissaris van de Koningin |
H.M.D. Brouwer |
- |
secretaris |
code: 00433778.doc /
Provinciale Staten
Inlichtingen bij mw. S. Sprokkereef, tel. (026) 359 97 57 |
e-mail s.sprokkereef@prv.gelderland.nl verzonden |